Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9410

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
10/2175 ZVW-P + 09/5262 ZFW-P + 11/3594 ZFW-P
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingevolge de Zvw zijn appellanten door Cvz als verdragsgerechtigden in de zin van Vo 1408/71 aangemerkt en hebben zij recht op zorg in hun woonland. Volgens Cvz komt dit recht op zorg ten laste van Nederland omdat appellanten geen pensioen uit het woonland ontvangen en zij van de landen waarvan zij een wettelijke pensioen ontvangen (gedurende hun werkzame leven) het langst voor de sociale zekerheid verzekerd zijn geweest in Nederland. Voor dit recht op zorg is een bijdrage verschuldigd, die wordt ingehouden op het Nederlandse pensioen. Appellanten hebben een E 121-formulier ontvangen om zich te laten inschrijven bij het orgaan van de woonplaats.

Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat het Nederlandse uitvoeringsorgaan (Cvz) niet gerechtigd is de bijdrage op hun AOW-pensioen in te houden. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat zij recht hebben op pensioenen uit twee of meer lidstaten (waaronder niet het woonland) en dat ingevolge art. 28, lid 2, onder b, van Vo 1408/71 de verstrekkingen voor rekening komen van het bevoegde orgaan van de lidstaat aan de wettelijke regeling waaraan zij als rechthebbenden op die pensioenen het langst onderworpen zijn geweest. Appellanten betwisten niet dat zij het langst hebben gewerkt in Nederland en dat zij ook het langst onderworpen zijn geweest aan de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving, uitgezonderd de wettelijke ziektekostenverzekering, maar zijn van mening dat gezien de context van art. 28 van Vo 1408/71 met “de wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest” in het tweede lid, onder b wordt gedoeld op de wettelijke regeling inzake prestaties bij ziekte en moederschap.

Raad: Het is de Raad op grond van de bewoordingen van art. 28, lid 2, onder b, van Vo 1408/71, niet volstrekt duidelijk wat met ”de wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest”, bedoeld wordt. Voorts is de Raad ook geen rechtspraak van het Hof bekend waarin die bepaling is uitgelegd. Ook de interpretatie van het Zweedse Hof (Hoogste Administratieve Hof in Zweden van 14 december 2011, nr. 4381-10) heeft de Raad niet ervan overtuigd dat dit Hof een onmiskenbaar juiste uitleg aan bedoelde bepaling heeft gegeven. Gezien de context en de doelstelling van de bepaling ziet de Raad, evenals de Rb., ook ruimte voor andere interpretaties.

De Raad verzoekt het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in art. 267 van het VWEU antwoord te geven op de volgende vraag:

Wordt met de wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest, in art. 28, lid 2, onder b, van Verordening (EEG) nr. 1408/71, gedoeld op de wettelijke regeling inzake prestaties bij ziekte en moederschap, de wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom of alle wettelijke regelingen betreffende de takken van sociale zekerheid genoemd in art. 4 van die Verordening die op grond van titel II van de verordening van toepassing zijn geweest?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1620
NJB 2012/1544
USZ 2012/217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2175 ZVW

09/5262 ZFW

11/3594 ZFW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

VERZOEK

Aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) in de gedingen tussen

1. [H.], wonende te Frankrijk ([H.]),

2. [F.], wonende te Spanje ([F.]),

(ook: appellanten)

en

het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

Datum verzoek: 27 juni 2012

I. PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel II, tweede lid, aanhef en onder b, van de - met ingang van 1 augustus 2008 in werking getreden - Wet van 29 mei 2008 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet in verband met de rechtsgang bij inhouding van de bijdrage van verdragsgerechtigden (rechtsgang bronheffing verdragsgerechtigden) (Stb. 278) is Cvz als procespartij in aanhangige gedingen in de plaats getreden van de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb). In dit verzoek wordt onder Cvz voor zover nodig tevens begrepen de Svb.

[H.] (10/2175 ZVW) heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 februari 2010, 07/4496, waarbij zijn beroep gegrond is verklaard, het bestreden besluit is vernietigd en waarbij de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit geheel in stand zijn gelaten.

[F.] (09/5262 ZFW en 11/3594 ZVW) heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2009, 07/3594, alsmede tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2011, 09/3775, waarbij de beroepen tegen de bestreden besluiten van Cvz ongegrond zijn verklaard.

Cvz heeft verweerschriften ingediend.

De Raad heeft deze zaken ter behandeling gevoegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2012. [H.] is in persoon verschenen bijgestaan door [W.]. [F.] is - met bericht van verhindering - niet verschenen.

De Raad heeft het onderzoek heropend. In verband met het voornemen om in deze zaken aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) een verzoek om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te doen, is aan partijen een concept-vraagstelling gezonden.

Partijen hebben daarop gereageerd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Tot 1 januari 2006 waren appellanten niet verplicht verzekerd op grond van het Nederlandse wettelijke ziektekostenstelsel. Zij hadden een particuliere ziektekostenverzekering, welke verzekering buiten het toepassingsbereik van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Vo 1408/71) viel.

1.2. Met ingang van 1 januari 2006 is in Nederland de Zorgverzekeringswet (Zvw) in werking getreden. De Zvw is op grond van artikel 5 in verbinding met artikel 97 van Vo 1408/71 aangemeld bij de Voorzitter van de Raad van de Europese Gemeenschappen en is hierdoor onder het toepassingsbereik van Vo 1408/71 gebracht. Ingevolge de Zvw zijn appellanten door Cvz als verdragsgerechtigden in de zin van Vo 1408/71 aangemerkt en hebben zij recht op zorg in hun woonland. Volgens Cvz komt dit recht op zorg ten laste van Nederland omdat appellanten geen pensioen uit het woonland ontvangen en zij van de landen waarvan zij een wettelijke pensioen ontvangen (gedurende hun werkzame leven) het langst voor de sociale zekerheid verzekerd zijn geweest in Nederland. Voor dit recht op zorg is een bijdrage verschuldigd, die wordt ingehouden op het Nederlandse pensioen. Appellanten hebben een E 121-formulier ontvangen om zich te laten inschrijven bij het orgaan van de woonplaats.

1.3. [H.] is geboren [in] 1932 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Tussen 1 december 1961 en 31 december 1989 heeft hij voor zijn werkgever in diverse landen gewerkt. Voor dit geding zijn van belang de gewerkte periodes in Nederland van 1 december 1961 tot 28 februari 1964, van 2 augustus 1965 tot 18 mei 1969 en van 2 oktober 1987 tot 31 december 1989 en de gewerkte periode in Finland van 16 januari 1980 tot 1 oktober 1987. In 1990 is [H.] verhuisd naar Duitsland en sedert 1991 woont hij in Frankrijk. [H.] ontvangt sedert augustus 1997 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) uit Nederland. Dit pensioen is gebaseerd op afgerond 43 verzekerde jaren (deels gebaseerd op ingezetenschap, deels via de vrijwillige verzekering). Naast dit pensioen ontvangt appellant ook een wettelijk ouderdomspensioen uit Finland, waar hij van 1980 tot 1987 verzekerd is geweest, en een wettelijk ouderdomspensioen uit het Verenigd Koninkrijk. [H.] heeft zich met het E 121-formulier ingeschreven in Frankrijk bij de Caisse primaire d’assurance-maladie ten laste van Nederland. Desgevraagd heeft het Finse Social Insurance Institution op 29 maart 2006 een besluit genomen dat geen E 121-formulier ten laste van Finland wordt verstrekt omdat appellant het langst sociaal verzekerd is geweest in Nederland.

1.4. [F.] is geboren [in] 1941 en heeft de Britse nationaliteit. [F.] heeft tot 1972 in het Verenigd Koninkrijk gewoond (van 1957 tot 1972 heeft hij daar gewerkt), vervolgens heeft hij van 1972 tot 2004 in Nederland gewoond en gewerkt en is hij sedert mei 2004 woonachtig in Spanje. [F.] ontving vanaf mei 2004 tot april 2006 een Vut-uitkering. Vanaf april 2006 ontvangt hij een AOW-pensioen uit Nederland. Dit pensioen is gebaseerd op afgerond 35 verzekerde jaren in Nederland. Naast dit pensioen ontvangt [F.] ook een wettelijk ouderdomspensioen uit het Verenigd Koninkrijk. [F.] heeft zich aanvankelijk ingeschreven met een E 121-formulier bij het Spaanse orgaan INSS ten laste van Nederland. Hij heeft vervolgens het INSS verzocht hem uit te schrijven in mei 2006.

2.1. Voor zover in het kader van dit verzoek van belang hebben appellanten het volgende naar voren gebracht ten betoge dat de door hen in beroep bestreden besluiten van Cvz onrechtmatig zijn en de rechtbank hun beroepen derhalve ten onrechte ongegrond heeft verklaard dan wel ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.

2.1.1. Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat het Nederlandse uitvoeringsorgaan (Cvz) niet gerechtigd is de bijdrage op hun AOW-pensioen in te houden. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat zij recht hebben op pensioenen uit twee of meer lidstaten (waaronder niet het woonland) en dat ingevolge artikel 28, tweede lid, onder b, van Vo 1408/71 de verstrekkingen voor rekening komen van het bevoegde orgaan van de lidstaat aan de wettelijke regeling waaraan zij als rechthebbenden op die pensioenen het langst onderworpen zijn geweest. Appellanten betwisten niet dat zij het langst hebben gewerkt in Nederland en dat zij ook het langst onderworpen zijn geweest aan de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving, uitgezonderd de wettelijke ziektekostenverzekering, maar zijn van mening dat gezien de context van artikel 28 van Vo 1408/71 met “de wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest” in het tweede lid, onder b wordt gedoeld op de wettelijke regeling inzake prestaties bij ziekte en moederschap. [H.] stelt dat hij nooit wettelijk verzekerd is geweest voor ziektekosten in Nederland, althans in ieder geval korter dan de periode dat hij verzekerd was voor ziektekosten in Finland gedurende de periode van 16 januari 1980 tot 1 oktober 1987. Finland is volgens hem dan ook het land voor wiens rekening de verstrekkingen in het woonland dienen te komen.

[F.] stelt dat hij nooit verzekerd is geweest voor de Ziekenfondswet in Nederland, terwijl hij in het Verenigd Koninkrijk vanaf 1948 tot 1972 verzekerd is geweest bij de National Health Service. De verstrekkingen in het woonland dienen volgens hem dan ook voor rekening van het Verenigd Koninkrijk te komen.

2.1.2. Het belang van appellanten bij een uitleg in de door hen voorgestelde zin is erin gelegen dat de verstrekkingen in het woonland ingevolge artikel 28, eerste lid, van Vo 1408/71 niet voor rekening van Nederland kunnen worden gebracht en Nederland dan ook geen bijdrage mag heffen in de zin van artikel 33 van Vo 1408/71.

2.1.3. Cvz kan zich niet vinden in de uitleg die appellanten aan artikel 28, tweede lid, onder b, van Vo 1408/71 hebben gegeven. Met de “wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest” is volgens Cvz niet bedoeld de wettelijke ziektekostenverzekering en ook niet het wettelijke pensioenstelsel, zoals door de rechtbank in de zaak van [H.] is geconcludeerd, maar het wettelijke sociale zekerheidsstelsel van een lidstaat als geheel. De achtergrond van artikel 28, tweede lid, sub b, van Vo 1408/71 is volgens Cvz immers dat het land waar iemand het langst heeft meebetaald aan het sociaal zekerheidsstelsel ook de kosten van zorg bij pensionering moet dragen.

3. De Raad overweegt als volgt.

Algemeen

3.1.1. Tot 1 januari 2006 kende Nederland in de Ziekenfondswet (Zfw) een stelsel van verplichte ziektekostenverzekering voor werknemers met een inkomen beneden een inkomensgrens, die in 2005 € 33.000,- per jaar bedroeg. Niet-werknemers en personen met een inkomen boven deze grens dienden zich particulier te verzekeren tegen ziektekosten. Daarnaast bestond (en bestaat) de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), die tot doel heeft de gehele bevolking te verzekeren tegen het risico van bijzondere ziektekosten. Het gaat daarbij met name om risico’s die niet via de Zfw (thans: de Zvw) of een particuliere verzekering zijn gedekt, zoals verblijf in inrichtingen, instellingen voor gehandicapten, e.d. Appellanten zijn niet of een korte tijd ingevolge de Zfw verzekerd geweest. Appellanten zijn wel verzekerd geweest voor de AWBZ gedurende de periode dat zij ingezetenen waren van Nederland.

3.1.2. Buiten Nederland en binnen de EU wonende personen die een Nederlandse WAO-uitkering of een AOW-pensioen ontvingen, bleven of werden vóór 1 januari 2006 onder omstandigheden verzekerd krachtens de Zfw. Personen die een WAO-uitkering ontvingen, waren verzekerd ingevolge de Zfw, tenzij hun uitkering was gebaseerd op het maximumdagloon en zij een aanvullende uitkering ontvingen. AOW-gerechtigden en vervroegd gepensioneerden werden slechts als verplicht verzekerd krachtens de Zfw aangemerkt als zij vóór de toekenning van het pensioen - enige tijd - verplicht verzekerd waren. Indien voor deze personen sprake was van een verplichte verzekering krachtens de Zfw, werd tevens verplichte verzekering krachtens de AWBZ aangenomen.

3.1.3. Tot 1 januari 2006 was Vo 1408/71 wat de ziektekosten betreft uitsluitend van toepassing op ziekenfondsverzekerden, omdat alleen op die groep het totaal van de Nederlandse wettelijke ziektekostenverzekering AWBZ en Zfw van toepassing was.

3.1.4. Met de invoering van de Zvw op 1 januari 2006 is het totaal van de wettelijke ziektekostenverzekering van toepassing op iedereen die in Nederland woont en werkt, derhalve ook op de voorheen particulier verzekerden. Het onderscheid tussen een ziekenfondsverzekering en een particuliere verzekering is hiermee komen te vervallen. Personen die buiten Nederland wonen, kunnen niet meer verzekerd zijn voor de AWBZ en de Zvw, omdat zij niet voldoen aan de in die verzekeringen geldende voorwaarde dat zij in Nederland moeten wonen of werken. Als gevolg van de uitbreiding van de groep verzekerden in de Zvw is Vo 1408/71 wat de ziektekosten betreft vanaf 1 januari 2006 ook van toepassing op onder meer rechthebbenden op Nederlandse wettelijke ouderdomspensioenen en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die voorheen particulier verzekerd waren voor de ziektekosten (alsmede hun gezinsleden) en die in een EU-lidstaat, een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of een verdragsland wonen.

3.1.5. Ingevolge de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 hebben deze personen recht op verstrekkingen in hun woonland, voor rekening van het pensioenland, aangezien zij dat recht ook ingevolge een wettelijke regeling zouden hebben gehad, indien zij in Nederland zouden hebben gewoond. Om aanspraak te maken op verstrekkingen in het woonland dient de betrokkene zich aan te melden bij Cvz en zich vervolgens in te schrijven bij het plaatselijke ziekenfonds met het door Cvz verstrekte E 121-formulier. In de Zvw is geregeld dat Cvz is belast met het nemen van beschikkingen over de heffing en de inning van de bijdrage die betrokkenen verschuldigd zijn voor de kosten van zorg. De wet voorziet in de mogelijkheid dat de bijdrage wordt ingehouden door de pensioenfondsen op het pensioeninkomen. Tot 1 augustus 2008 deden de pensioenfondsen dit op eigen naam en titel. In de zaken waarop dit verzoek betrekking heeft, is op grond daarvan de verschuldigde bijdrage op de in geschil zijnde data door de Svb op eigen naam en titel ingehouden op het AOW-pensioen. Vanaf 1 augustus 2008 doen de pensioenfondsen dit in opdracht van, en dus namens, Cvz.

Relevante nationale regelgeving

3.2.1. Artikel 69 van de Zvw luidt sinds 1 augustus 2008, voor zover hier van belang, als volgt:

1. In het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, bij het College zorgverzekeringen aan.

2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd, die voor een bij die regeling te bepalen gedeelte van de bijdrage, voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag als premie voor een zorgverzekering wordt beschouwd.

3. Indien de melding niet is geschied binnen vier maanden nadat het recht, bedoeld in

het eerste lid, is ontstaan, legt het College zorgverzekeringen degene die de melding had moeten doen een boete op die gelijk is aan 130% van een bij ministeriële regeling te bepalen gedeelte van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, over een periode gelijk aan de periode gelegen tussen de dag waarop het recht ontstond en de dag waarop de melding is geschied, maar met een maximum van vijf jaren.

4. Het College zorgverzekeringen is belast met de administratie, voortvloeiend uit het

eerste lid en de daar genoemde internationale regels, alsmede met het nemen van beschikkingen over de heffing en de inning van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid.

5 (…)

6 (…)

7. Bij ministeriële regeling:

a. kan worden bepaald dat organen die pensioen of rente verschuldigd zijn in opdracht van het College zorgverzekeringen werkzaamheden verrichten ter voorbereiding of uitvoering van beschikkingen als bedoeld in het vierde lid, waarbij kan worden bepaald dat die organen de bijdragen, bedoeld in het tweede lid, op het pensioen of de rente inhouden en aan het Zorgverzekeringsfonds afdragen;

b. kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het College zorgverzekeringen zijn taak, bedoeld in het vierde lid, uitoefent of de organen, bedoeld in onderdeel a, de in dat onderdeel bedoelde werkzaamheden uitvoeren.

Relevante Europese regelgeving

3.3.1. Artikel 28 van Vo 1408/71 luidt als volgt:

1. De rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat, of op pensioenen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, heeft niettemin zelf, evenals zijn gezinsleden, recht op deze prestaties, voor zover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde Lid-Staat, of van ten minste een van de voor deze verzekering bevoegde Lid-Staten, eventueel met inachtneming van artikel 18 en van bijlage VI, recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken Staat woonde. De prestaties worden verleend op de volgende voorwaarden:

a) de verstrekkingen worden voor rekening van het in lid 2 bedoelde orgaan verleend door het orgaan van de woonplaats, alsof de betrokkene recht had op een pensioen of een rente krachtens de wettelijke regeling van de Staat op het grondgebied waarvan hij woont, en hij recht op verstrekkingen had;

b) de uitkeringen worden in voorkomend geval verleend door het overeenkomstig lid 2 bepaalde bevoegde orgaan volgens de wettelijke regeling welke door dit orgaan wordt toegepast. Deze uitkeringen kunnen evenwel, in overleg tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats door dit laatst orgaan voor rekening van het eerste worden verleend volgens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat.

2. In de in lid 1 bedoelde gevallen komen de verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig de volgende regels vastgestelde orgaan:

a. indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regeling van één Lid-Staat recht op bedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van deze Staat;

b. indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten recht op bedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest; ingeval de toepassing van deze regel ertoe leidt dat de verstrekkingen voor rekening van meer dan een orgaan komen, komen zij voor rekening van het orgaan van de laatstbedoelde, dat de wettelijke regeling toepast waaraan de rechthebbende het laatst onderworpen is geweest.

3.3.2. Artikel 28bis van Vo 1408/71 luidt als volgt:

Indien de rechthebbende op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat, of op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, woont op het grondgebied van een Lid-Staat waaraan de wettelijke regeling voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake de verzekering of de arbeid en krachtens de wettelijke regeling waarvan geen pensioen of rente verschuldigd is, komen de aan hem en aan zijn gezinsleden verleende verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig artikel 28, lid 2 bepaalde orgaan van een van de ter zake van pensioenen bevoegde Lid-Staten, voor zover de betrokken rechthebbende en zijn gezinsleden recht zouden hebben op deze verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling die wordt toegepast door het bedoelde orgaan indien zij woonden op het grondgebied van de Lid-Staat waar dit orgaan is gevestigd.

3.3.3. Artikel 33, eerste lid, van Vo 1408/71 luidt als volgt:

1. Het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen- of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voor zover de prestaties verleend krachtens de artikelen 27, 28, 28bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde Lid-Staat komen.

3.3.4. Artikel 29 van Vo 574/72 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Om op het grondgebied van de Lid-Staat waar hij woont in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 28, lid 1, en artikel 28bis van de verordening, is de pensioen- of rentetrekker verplicht zich en zijn in dezelfde Lidstaat wonende gezinsleden te doen inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een verklaring waarin wordt bevestigd dat hij krachtens de wettelijke regeling of krachtens een der wettelijke regelingen op grond waarvan een pensioen of rente verschuldigd is, voor zichzelf en voor zijn gezinsleden recht op genoemde verstrekkingen heeft.

2. Deze verklaring wordt op verzoek van de pensioen- of rentetrekker door het orgaan of één der organen die pensioenen of rente verschuldigd zijn of, in voorkomend geval, door het orgaan dat over het recht op verstrekkingen moet beslissen, afgegeven, zodra de pensioen- of rentetrekker voldoet aan de voorwaarden voor het ingaan van het recht op deze verstrekkingen. Indien de pensioen- of rentetrekker de verklaring niet overlegt, verzoekt het orgaan van de woonplaats het orgaan of de organen die het pensioen of de rente verschuldigd zijn, of in voorkomend geval, het hiertoe gerechtigde orgaan daarom. In afwachting van de ontvangst van deze verklaring kan het orgaan van de woonplaats de pensioen- of rentetrekker en zijn in dezelfde Lidstaat wonende gezinsleden voorlopig inschrijven op vertoon van de door dit orgaan toegelaten bewijsstukken. Deze inschrijving is voor het orgaan dat de kosten van de verstrekkingen moet dragen slechts bindend, wanneer laatstgenoemd orgaan de in het lid 1 bedoelde verklaring heeft afgegeven.

3. (…)

4. (…)

5. (…)

6. De administratieve commissie stelt zo nodig vast op welke wijze het orgaan wordt bepaald dat in het geval bedoeld in artikel 28, lid 2, sub b), van de verordening, de kosten van de verstrekkingen moet dragen.

3.3.5. Bijlage VI, onder R, onder 1a en b, van Vo 1408/71 luidt als volgt:

1. Zorgverzekering

a). Wat betreft het recht op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wetgeving wordt voor de toepassing van de hoofdstukken 1 en 4 van titel III van de verordening onder ´rechthebbenden op verstrekkingen´ verstaan:

i) personen die overeenkomstig artikel 2 van de Zorgverzekeringswet verplicht zijn zich te verzekeren bij een zorgverzekeraar;

en

ii) voor zover niet reeds begrepen onder i), personen die in een andere lidstaat woonachtig zijn en krachtens de verordening ten laste van Nederland recht hebben op geneeskundige zorg in hun woonland.

b) Personen als bedoeld in punt a), onder i) moeten zich overeenkomstig de Zorgverzekeringswet verzekeren bij een zorgverzekeraar; personen als bedoeld in punt a), onder ii) moeten zich registreren bij het College voor zorgverzekeringen.

c). De bepalingen van de Zorgverzekeringswet en de algemene wet bijzondere ziektekosten betreffende de verschuldigdheid van bijdragen zijn van toepassing op personen als bedoeld in punt a) en hun gezinsleden. Wat gezinsleden betreft, worden de bijdragen geheven bij degene van wie het recht op zorg is afgeleid.

f) …..

Begrip “wettelijke regeling”

3.4.1. Appellanten hebben recht op een pensioen krachtens de wettelijke regeling van twee of meer lidstaten, maar geen recht op prestaties krachtens de wettelijke regeling van hun woonland. Tussen [H.] en Cvz is niet in geschil dat hij hierdoor onder de werkingssfeer van artikel 28 van Vo 1408/71 valt. [F.] betwist echter primair dat de artikelen 28 of 28bis van Vo 1408/71 op zijn situatie van toepassing zijn. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 14 oktober 2010, Van Delft e.a., C-345/09 (www.curia.europa.eu) en de daarop gevolgde rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 december 2011, LJN BU7125), gaat de Raad er met betrekking tot de onderhavige vraagstelling aan het Hof vooralsnog van uit dat ook [F.] onder het toepassingsbereik van artikel 28 of 28bis van Vo 1408/71 valt. Het recht op prestaties in het woonland komt dan in de situatie van beide appellanten ingevolge het tweede lid, onder b, van Vo 1408/71 voor rekening van het bevoegde orgaan van de lidstaat aan de wettelijke regeling waarvan appellanten het langst onderworpen zijn geweest.

3.4.2. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag wat onder de zinsnede “de wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest”, in artikel 28, tweede lid, onder b, van Vo 1408/71, moet worden verstaan.

3.4.3. Volgens appellanten heeft deze zinsnede uitsluitend betrekking op de wettelijke regeling van prestaties bij ziekte en moederschap. Door [H.] is in dat verband betoogd dat de artikelen 28 en 28bis in Vo 1408/71 zijn geplaatst in titel III, hoofdstuk 1, genaamd “Ziekte en moederschap”. Deze titel is een lex specialis ten opzichte van titel II. Het begrip “wettelijke regeling” komt een paar keer voor in artikel 28, tweede lid, onder b en in alle gevallen gaat het volgens hem om de wettelijke regeling aangaande de verstrekkingen voor ziektekosten. De staat die in het verleden bijdragen heeft ontvangen voor de ziektekostenverzekering is dan bij de toepassing van artikel 28, tweede lid, onder b, van Vo 1408/71 de meest aangewezen staat ten laste waarvan de verstrekkingen dienen te komen, aldus [H.]. Appellanten vinden steun voor hun standpunt in de uitspraak van het Hoogste Administratieve Hof in Zweden (Zweedse Hof) van

14 december 2011, nr. 4381-10. Uitgaande van de Nederlandse vertaling die door appellant [H.] is overgelegd, gaat het in die zaak om de Nederlander [W.], die in België woonachtig is, en een pensioen uit Nederland, uit Zweden en uit het Verenigd Koninkrijk ontvangt. [W.] is het langst onderworpen geweest aan de ziektekostenverzekering in Zweden, maar voor de sociale zekerheid was hij het langst verzekerd in Nederland. In die zaak heeft het Zweedse orgaan Försäkringskassan als eiser in beroep tegen het arrest van het beroepscollege voor fiscale en administratieve zaken (beroepscollege) van 9 juni 2010, nr. 1630-09, betoogd dat de uitdrukking “aan de wettelijke regeling waarvan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest” betrekking heeft op de tijd gedurende welke de persoon is onderworpen aan de wettelijke regelingen van de lidstaat volgens de regels van artikel 13 van de verordening. Dit oordeel heeft het Zweedse Hof verworpen. Volgens het Zweedse Hof zijn de algemene regels van artikel 13 van titel II van Vo 1408/71 slechts toepasbaar in de mate dat speciale prestaties in titel III geen afwijkende voorschriften bevatten. Artikel 28 in titel III, hoofdstuk 1, betreft een zodanige uitzondering van de algemene bepalingen. Tegen deze achtergrond is het Zweedse Hof met het beroepscollege van oordeel dat de tijd waarin een gepensioneerde verzekerd was voor ziekte en moederschap, bepalend is voor het antwoord op de vraag welke lidstaat de kosten van zorgprestaties zal dragen.

3.4.4. Met betrekking tot het betoog van appellanten merkt de Raad nog op dat appellanten op grond van hun inkomen weliswaar niet of nauwelijks in Nederland wettelijk verzekerd zijn geweest ter zake van verstrekkingen bij ziektekosten, maar dat zij tijdens hun werkzaamheden in Nederland voor 2006 wel verzekerd waren voor de wettelijke regeling ter zake van uitkeringen bij ziekte (Ziektewet), welke uitkering ook onder hoofdstuk 1 “Ziekte en moederschap” valt. In verband met de in 3.4.2 geformuleerde vraag is dan nog van belang of alleen moet worden gekeken naar de onderworpenheid aan de wettelijke ziektekostenverzekering of naar de verzekering voor ziekte en moederschap in zijn geheel.

3.4.5. Het is de Raad echter, evenals de rechtbank in de zaak van [H.] heeft overwogen, op grond van de bewoordingen van artikel 28, tweede lid, onder b, van Vo 1408/71, niet volstrekt duidelijk wat met ”de wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest”, bedoeld wordt. Voorts is de Raad ook geen rechtspraak van het Hof bekend waarin die bepaling is uitgelegd. Ook de interpretatie van het Zweedse Hof heeft de Raad niet ervan overtuigd dat dit Hof een onmiskenbaar juiste uitleg aan bedoelde bepaling heeft gegeven. Gezien de context en de doelstelling van de bepaling ziet de Raad, evenals de rechtbank, ook ruimte voor andere interpretaties.

3.4.6. Met betrekking tot het doel en de context van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van Vo 1408/71 heeft de rechtbank verwezen naar hetgeen het Hof heeft overwogen in het arrest van 10 mei 2001, Rundgren, C-389/99, met name in de punten 44 tot en met 49. Hieruit heeft de rechtbank afgeleid dat in artikel 28 van Vo 1408/71 het pensioen of de pensioenstaat het aanknopingspunt is. Dat voor de financiering van de ziektekosten wordt aangesloten bij de pensioenstaat, is in lijn met het gegeven dat ziektekostenstelsels worden bekostigd uit bijdragen op grond van het inkomen dat de betrokkene ontvangt. Bij pensioengerechtigden is dat door een inhouding op het pensioen. Voor zover het aspect van de ziektekostenverzekering in artikel 28 van Vo 1408/71 aan de orde is, gaat het niet om de historische, maar om de actuele (en bovendien mogelijk fictieve) ziektekostenverzekering. Volgens de rechtbank ligt het dan ook voor de hand dat met de in artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van Vo 1408/71 laatstgenoemde wettelijke regeling niet wordt gedoeld op de historische ziektekostenverzekering, maar op de pensioenverzekering die de basis vormt van het actuele pensioeninkomen. Dat artikel 28 van Vo 1408/71 onderdeel is van hoofdstuk 1 “Ziekte en moederschap” leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie, nu in artikel 28 van Vo 1408/71 voor pensioen- of rentetrekkers de aanspraak op verstrekkingen is neergelegd en daarin voorts is geregeld welk orgaan de kosten hiervan voor zijn rekening moet nemen.

3.4.7. De Raad voegt hier nog aan toe dat ook in de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de totstandkoming van Vo 1408/71 aanknopingspunten zijn te vinden die bij de zienswijze van de rechtbank aansluiten. Zo blijkt uit document 158 van 1967/1968, het zogenoemde verslag van Troclet, blz 138, punt 361, dat men er destijds van uitging dat de bepaling van het orgaan van het land waar men “het langst verzekerd is geweest” geen problemen zou opleveren omdat de interventie van elk land afhankelijk moet worden gesteld van de mate waarin de bepalingen van hoofdstuk 3 betreffende pensioenen van toepassing zijn. Uit dit verslag kan worden opgemaakt dat ten tijde van de inwerkingtreding van Vo 1408/71 voor de vraag ten laste van welk land de verstrekkingen komen, is aangesloten bij het land waar de betrokkene door verzekering de meeste jaren aanspraak op pensioen had opgebouwd. Hierbij moet wel worden bedacht dat in die tijd het recht op medische zorg veelal verbonden was aan arbeid of het ontvangen van een pensioen of uitkering. De Raad tekent hierbij aan dat in Nederland het recht op medische zorg niet gekoppeld was en is aan arbeid of aan het ontvangen van een pensioen of uitkering. In bijlage VI, Q respectievelijk R, Nederland, punt 1 Zorgverzekering, onder a van Vo 1408/71 heeft Nederland voor de toepassing van de hoofdstukken 1 en 4 van titel III van die Verordening onder “rechthebbenden op verstrekkingen” dan ook verstaan vóór 1 januari 2006 de verzekerden onder de Ziekenfondswet en sinds die datum de verzekerden onder de Zorgverzekeringswet.

3.4.8. Bij de keuze voor het land waar de betrokkene het langst voor zijn pensioen verzekerd is geweest, dient in de situatie van Nederland wel bedacht te worden dat de AOW een verplichte verzekering betreft voor alle ingezetenen van Nederland (en voor niet-ingezetenen, die ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting zijn onderworpen). Het AOW-pensioen wordt opgebouwd met twee procent per jaar over de verzekerde jaren tussen de 15-jarige en 65-jarige leeftijd. Degenen die uit Nederland vertrekken kunnen de verzekering vrijwillig voortzetten tegen betaling van een daarvoor geldende premie. Bij de in 3.4.2 geformuleerde vraag is van belang welke periode van de pensioenverzekering in aanmerking dient te worden genomen. Is dat de gehele periode van pensioenverzekering ongeacht de grondslag van de verzekering en ongeacht of daadwerkelijk premie is betaald of moet worden aangesloten bij de verzekering die tijdens het werkzame leven is opgebouwd, waarbij premies zijn betaald over het genoten inkomen? Voorts speelt de vraag of daarbij de tijdvakken van vrijwillige verzekering kunnen worden meegeteld omdat deze ingevolge artikel 15 van Vo 1408/71 buiten de bepalingen over de toepasselijke wetgeving vallen.

De Raad acht verder nog van belang te vermelden dat Nederland in Bijlage VI bij Vo 1408/71 voor de toepassing van de artikelen 27 tot en met 34 een aantal buitenwettelijke invaliditeits- en ouderdomspensioenen heeft gelijkgesteld met wettelijke pensioenen.

3.4.9. De rechtbank heeft de stelling van Cvz dat de term “wettelijke regeling” moet worden uitgelegd als het gehele wettelijke sociale zekerheidsstelsel verworpen.

In hoger beroep heeft Cvz dienaangaande betoogd dat de keuze die de rechtbank heeft gemaakt in het algemeen tot eenzelfde resultaat zal leiden als wanneer het uitgangspunt het geheel van sociale zekerheidswetgeving is, maar dat die keuze wel consequenties heeft als er ook sprake is van vrijwillig verzekerde tijdvakken. Die tijdvakken zijn volgens Cvz wel onderdeel van de wettelijke pensioenregeling, maar deze tijdvakken vallen ingevolge artikel 15 van Vo 1408/71 buiten de bepalingen over de toepasselijke wetgeving. Het Cvz gaat er dan ook van uit dat de periode van vrijwillige verzekering voor de Algemene Ouderdomswet niet meetelt bij de vaststelling van de periode van onderworpenheid aan de wettelijke regelingen, in artikel 28, tweede lid, onder b, van Vo 1408/71. Volgens Cvz is het begrip wettelijke regeling gedefinieerd in artikel 1, onder j, van Vo 1408/71. Door de uitdrukkelijke verwijzing in dat artikel naar artikel 4 van die verordening blijkt dat het begrip wettelijke regeling ziet op alle daar genoemde sociale zekerheidswetgeving van een lidstaat die op grond van titel II van de verordening van toepassing is geweest.

3.4.10. De Raad stelt vast dat er ten minste drie verschillende interpretaties van het begrip “wettelijke regeling” mogelijk zijn. Bij de ziektekostenverzekering, zoals door appellanten is bepleit en die zich in die visie zien gesteund door het Zweedse Hof, is onduidelijk of alleen gekeken moet worden naar de (historische) verzekering voor de ziektekosten of ook naar de verzekering voor ziekte en moederschap in zijn geheel. Bij de keuze voor de gehele sociale zekerheidswetgeving waaronder iemand het langst heeft geressorteerd, speelt ook nog de vraag hoe moet worden aangekeken tegen de verschillen tussen ingezetenen- en werknemersverzekeringen en de mogelijke vrijwillig verzekerde tijdvakken. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.4.6 en 3.4.7 is de Raad vooralsnog van mening dat er voor de keuze voor de pensioenverzekering waar men het langst aan onderworpen is geweest de meeste aanknopingspunten bestaan. Wel zijn ook hierbij kanttekeningen te plaatsen zoals verwoord in overweging 3.4.8.

Uit het voorgaande blijkt dat de Raad, anders dan het Zweedse Hof, niet de mening is toegedaan dat het hier een acte eclairé of acte claire betreft.

3.4.11. De hiervoor weergegeven overwegingen geven de Raad dan ook aanleiding een vraag voor te leggen aan het Hof met betrekking tot de uitleg van artikel 28, tweede lid, onder b, van Vo 1408/71.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- verzoekt het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het VWEU antwoord te geven op de volgende vraag:

Wordt met de wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest, in artikel 28, tweede lid, onder b, van Verordening (EEG) nr. 1408/71, gedoeld op de wettelijke regeling inzake prestaties bij ziekte en moederschap, de wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom of alle wettelijke regelingen betreffende de takken van sociale zekerheid genoemd in artikel 4 van die Verordening die op grond van titel II van de verordening van toepassing zijn geweest?

- houdt de verdere behandeling van de gedingen aan totdat het Hof arrest heeft gewezen.

Dit verzoek is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter, T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, met K.E. Haan als griffier.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) K.E. Haan.

NW