Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9407

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
10-5959 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Uit de schriftelijke vastlegging van de onderzoeksresultaten blijkt het bestaan van vooringenomenheid niet. De aard en omvang van het aan appellant verweten plichtsverzuim staat vast. Dit plichtsverzuim komt er op neer dat appellant in de periode van maart 2006 tot juni 2008 tijdens zijn werk meer dan 300 internetsites bezocht die een privékarakter hadden, waaronder een opmerkelijk aantal pornografisch of seksueel van aard waren. Hierbij moet tevens gelden dat appellant in de bedoelde periode van 9 november 2006 tot 30 mei 2007 en van 26 augustus 2007 tot 13 februari 2008 volledig arbeidsongeschikt was en dat hij na herstel het surfgedrag heeft voortgezet. Appellant kan dit plichtsverzuim worden toegerekend. Het plichtsverzuim is naar aard en omvang zodanig ernstig dat er geen grond is om de opgelegde straf onevenredig aan dat plichtsverzuim te achten. De beroepsgrond dat appellant niet wist dat zijn surfgedrag binnen de politieregio niet was geoorloofd wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5959 AW

Centrale Raad van Beroep

MEERVOUDIGE KAMER

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 september 2010, nr. 09/4824 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Korpsbeheerder van de politieregio Gelderland Midden (korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 21 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft L. Ponsen te Beek hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 10 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door drs. G.N.R. Priem en L. Ponsen. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Haverkamp.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, die voordien bij een andere politieregio had gewerkt, is met ingang van 25 februari 2006 in de functie van hoofdagent in dienst getreden van de p[politieregio].

1.2. In mei 2008 werd aan de politieregio gemeld dat bij het opschonen van het gebruikersprofiel van appellant cookies zijn gevonden die zouden kunnen wijzen op het bezoeken van pornografische sites. Medewerkers van het Bureau Veiligheid en Integriteit (BVI) van de politieregio hebben naar aanleiding van die melding een oriënterend onderzoek ingesteld. Daaruit kwam naar voren dat appellant van maart 2006 tot juni 2008 meer dan 300 internetsites had bezocht waarvan een groot aantal herleid kan worden tot pornografische sites en sekssites. Vervolgens zijn de cookies in de vorm van screenprints aan de BVI ter beschikking gesteld. In juli 2008 is appellant bericht dat het BVI is opgedragen een disciplinair onderzoek naar zijn surfgedrag in te stellen. In dat verband is appellant op 4 november 2008 gehoord. Hij heeft verklaard dat hij vooral in 2006 de geduide sites heeft bezocht, omdat hij zich op het werk verveelde en uit surfgedrag van collega’s had afgeleid dat dit gedrag kennelijk was toegestaan.

1.3. Na het voornemen daartoe aan appellant kenbaar te hebben gemaakt, waarop hij zijn zienswijze heeft gegeven, is appellant bij besluit van 3 juni 2009 (ontslagbesluit) wegens ernstig plichtsverzuim dat bestaat uit het surfgedrag, de disciplinaire straf van ontslag opgelegd; naderhand is de ingangsdatum van het ontslag vastgesteld op 1 september 2009.

1.4. De korpsbeheerder heeft bij besluit van 10 november 2009 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het ontslagbesluit met inbegrip van het nadere besluit ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het onderzoek dat de korpsbeheerder heeft laten instellen, onzorgvuldig en met vooringenomenheid is uitgevoerd. De Raad volgt appellant hierin niet. Dat het BVI, nadat appellant was gehoord, geen nader onderzoek heeft ingesteld, is gerechtvaardigd omdat appellant bij het horen zijn surfgedrag heeft erkend. Het enkele feit dat de medewerkers van het BVI die het onderzoek hebben uitgevoerd onder het gezag van de korpsbeheerder staan, betekent niet dat daarom al het onderzoek lijdt aan vooringenomenheid. Uit de schriftelijke vastlegging van de onderzoeksresultaten blijkt het bestaan van vooringenomenheid niet.

3.2. De aard en omvang van het aan appellant verweten plichtsverzuim staat vast. De stelling van appellant dat dit surfgedrag alleen in 2006 heeft plaatsgevonden, stuit af op de bevindingen van het BVI. Dit plichtsverzuim komt er op neer dat appellant in de periode van maart 2006 tot juni 2008 tijdens zijn werk meer dan 300 internetsites bezocht die een privékarakter hadden, waaronder een opmerkelijk aantal pornografisch of seksueel van aard waren. Hierbij moet tevens gelden dat appellant in de bedoelde periode van 9 november 2006 tot 30 mei 2007 en van 26 augustus 2007 tot 13 februari 2008 volledig arbeidsongeschikt was en dat hij na herstel het surfgedrag heeft voortgezet.

3.3. Appellant kan dit plichtsverzuim worden toegerekend. Hij heeft de korpsbeheerder weliswaar verweten dat naar dat aspect geen onderzoek is ingesteld, daartegenover staat dat appellant geen bewijs heeft ingebracht dat zijn medisch-sociale toestand tot een onderzoek aanleiding zou geven. In de redenen die appellant op 4 november 2008 voor zijn surfgedrag heeft gegeven zoals onder 1.2 aangeduid, kan die aanleiding in elk geval niet gevonden worden.

3.4. Het plichtsverzuim zoals dit onder 3.2. is beschreven, is naar aard en omvang zodanig ernstig dat er geen grond is om de opgelegde straf onevenredig aan dat plichtsverzuim te achten. Appellant heeft over een langere periode zijn voor werk bestemde tijd goeddeels gevuld met zijn surfgedrag dat louter privé van aard was. Het bezoeken van het type internetsites die appellant bezocht, brengt verder het gevaar mee dat het netwerk van de politie door virussen kan worden beschadigd, wat ernstige gevolgen voor dat netwerk kan hebben. Dat appellant tot dat surfgedrag is gekomen omdat hij zich op het werk verveelde, kan hem op geen enkele wijze vrijpleiten. Appellant heeft dit probleem in elk geval niet kenbaar met zijn leidinggevenden besproken. Dat er binnen de politieregio een cultuur zou bestaan dat surfgedrag zoals dit appellant wordt verweten in de hand werkt, is niet aannemelijk. Ook al zouden er binnen de politieregio aanwijzingen voor het bestaan van zo’n cultuur zijn, dan nog is appellant voor zijn eigen gedrag verantwoordelijk.

3.5. De beroepsgrond dat appellant niet wist dat zijn surfgedrag binnen de politieregio niet was geoorloofd, verwerpt de Raad. Gebleken is dat binnen de politieregio in de vorm van de Korpsrichtlijn 01-05 een gedragscode aanwezig is, die onder punt 5 in duidelijke taal omschrijft wat onder ontoelaatbaar gebruik van ICT-middelen van de dienst wordt verstaan; het surfgedrag van appellant valt daaronder. Die richtlijn is op het intranet van de politieregio te vinden en was dus ook voor appellant bereikbaar. Overigens valt niet in te zien waarom appellant als ervaren politieman, los van bedoelde richtlijn, niet heeft kunnen begrijpen dat zijn surfgedrag vanwege eisen van integriteit en dienstbelang zonder meer onacceptabel zou zijn.

3.6. De korpsbeheerder was dus bevoegd appellant de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. De Raad kan niet inzien dat de korpsbeheerder niet in redelijkheid tot die strafoplegging is kunnen komen. Wat appellant in dit kader heeft aangevoerd, kan de schaal niet in zijn voordeel laten uitslaan.

4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan het hoger beroep niet slagen. De aangevallen uitspraak moet dus worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

21 juni 2012.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) T.J. van der Torn.

HD