Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9399

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
11-2685 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen omzetting tijdelijke aanstelling naar vast dienstverband vanwege noodzakelijke bezuinigingsmaatregelen. Op appellant rustte de verplichting een zorgvuldig onderzoek in te stellen naar mogelijkheden om betrokkene arbeid binnen het gezagsbereik van de gemeente aan te bieden na afloop van het traineeschap en diende elke reële mogelijkheid tot herplaatsing binnen of buiten de gemeente te worden aangegrepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/177
ABkort 2012/285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerectificeerde uitspraak 11/2685 AW

Gerectificeerde uitspraak 11/6096 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 maart 2011, 10/5602 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van [B. ] (appellant)

[A. te B. ] (betrokkene)

Datum uitspraak: 21 juni 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 4 oktober 2011 een nieuw

besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2012. Appellant heeft zich laten

vertegenwoordigen door mr. S.C. Lap en ing. D. Hulskes. Betrokkene is verschenen en heeft

zich laten bijstaan door mr. B.M. van Kerkvoorden

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de

volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is met ingang van 1 augustus 2008 op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de

Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) voor één

jaar als beleidsmedewerker III aangesteld om als trainee bij GEO-Informatie en Ontwerp van

de afdeling Wijkzaken van de gemeente [B. ] te worden opgeleid tot Geografische

Informatie Systemen (GIS)-medewerker. Na een positieve beoordeling van betrokkenes

functioneren is de aanstelling bij besluit van 18 augustus 2009 met één jaar verlengd tot

1 augustus 2010.

1.2. Bij besluit van 31 mei 2010 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat het dienstverband

met ingang van 1 augustus 2010 van rechtswege eindigt, omdat vanwege noodzakelijke

bezuinigingsmaatregelen een omzetting naar een vast dienstverband bij de gemeente

[B. ] niet tot de mogelijkheden behoorde. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij

bestreden besluit van 29 september 2010 ongegrond verklaard. Daaraan heeft appellant

overeenkomstig het advies van de commissie voor behandeling van bezwaarschriften mede

ten grondslag gelegd dat niet is aangetoond dat betrokkene een ondubbelzinnige en

ongeclausuleerde toezegging is gedaan dat bij goed functioneren tijdens het traineeschap hem

na afloop daarvan een vaste aanstelling wordt verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het

bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen

met inachtneming van het in de uitspraak overwogene een nieuw besluit te nemen. Tevens

zijn beslissingen over het griffierecht en proceskosten gegeven. Daarbij heeft de rechtbank

overwogen dat sprake is van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de

zijde van appellant die maakt dat appellant betrokkene na het met goed gevolg afsluiten van

zijn traineeschap in principe in vaste dienst bij de gemeente had moeten aanstellen. Daarvan

had appellant volgens de rechtbank kunnen afzien als zich een bijzondere omstandigheid van

gewichtige aard zou hebben voorgedaan. De rechtbank achtte het onvoldoende aannemelijk

dat de te treffen bezuinigingsmaatregelen aan een vast dienstverband met betrokkene in de

wegstonden, zodat appellant bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot

zijn bestreden besluit heeft kunnen komen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de

Raad als volgt.

3.1. In dit geding gaat het om de vraag of appellant betrokkene na afloop van het traineeschap

een vaste aanstelling had behoren te verlenen.

3.2.1. Nu betrokkene voor twee jaar was aangesteld als trainee met als doel hem op te leiden

tot GIS-medewerker, kon en mocht betrokkene ervan uitgaan dat hem na afloop van het

traineeschap bij goed functioneren een vaste aanstelling bij de gemeente [B. ] zou

worden verleend. Appellant heeft erkend dat dit ook zijn intentie was bij aanvang van het

traineeschap van betrokkene. Het doel van het traineeschap van betrokkene was voor

appellant om een verwachte toename in werkzaamheden op het gebied van GIS in de

toekomst door betrokkene als gekwalificeerd GIS-medewerker te kunnen opvangen.

3.2.2. Ook de brief van appellant van 15 mei 2008, waarin de afspraken met betrokkene

over zijn traineeschap zijn bevestigd, bevat aanwijzingen dat betrokkene na het met goed

gevolg afronden van het traineeschap zijn dienstbetrekking bij de gemeente zal voortzetten.

Zo staat daarin een terugbetalingsverplichting voor de opleidingskosten vermeld, indien

betrokkene binnen vier jaar de gemeente verlaat. Het traineeschap zou evenwel maar twee

jaar duren. Verder is in die brief van 15 mei 2008 de zinsnede opgenomen: ”Zodra de voor

de aanstelling relevante stukken van u zijn ontvangen, ontvangt u van ons de definitieve

aanstelling in vaste dienst.”. Dat deze zinsnede een kennelijke verschrijving is en dat met

“vaste dienst” bedoeld was “tijdelijke dienst”, zoals appellant heeft gesteld, is, wat daar

verder ook van zij, niet aan betrokkene kenbaar gemaakt.

3.2.3. Ook uit de verklaringen van V, toenmalig hoofd van de P&O-afdeling van de gemeente

[B. ], blijkt dat met betrokkene vóór aanvang van zijn traineeschap is gesproken over

een vaste aanstelling bij goed functioneren in het traineetraject. Dit heeft ertoe geleid dat

betrokkene zijn vaste aanstelling bij een verpleeghuis heeft beëindigd om als trainee bij de

gemeente in een tijdelijke aanstelling met ingang van 1 augustus 2008 te gaan werken.

Vervolgens is in september 2008 als gevolg van de bezuinigingen bij de gemeente een

vacaturestop ingesteld. Omdat het budget voor het traineeschap van betrokkene voor twee

jaar beschikbaar was gesteld, had de vacaturestop daarop geen invloed. In 2009 is de tijdelijke

aanstelling van betrokkene dan ook verlengd. Appellant heeft betrokkene toen evenwel niet

ervan op de hoogte gesteld dat de bezuinigingsmaatregelen, waarvan toen al zeker was dat zij

ook in 2010 zouden gelden, zeer waarschijnlijk tot gevolg zullen hebben dat betrokkene na

afloop van zijn traineeschap in augustus 2010 niet in vaste dienst zou worden aangesteld.

3.3. Onder deze omstandigheden rustte op appellant de verplichting een zorgvuldig

onderzoek in te stellen naar mogelijkheden om betrokkene arbeid binnen het gezagsbereik

van de gemeente aan te bieden na afloop van het traineeschap en diende elke reële

mogelijkheid tot herplaatsing binnen of buiten de gemeente te worden aangegrepen.

Weliswaar heeft appellant op verzoek van betrokkene nadat diens aanstelling bij de gemeente

al was beëindigd een re-intregatiebedrijf ingeschakeld, maar volgens betrokkene, en appellant

heeft dat niet weersproken, ondersteunt dat bedrijf hem alleen maar bij zijn

sollicitatieactiviteiten, zoals hulp bij het schrijven van sollicitatiebrieven of het volgen van

sollicitatietrainingen. Appellant heeft geen mobiliteits- of outplacementbureau ingeschakeld.

Evenmin is gebleken dat betrokkene op concrete vacatures binnen of buiten de gemeente is

geattendeerd. Zo blijkt uit de verklaring van 1 juli 2010 van V, die inmiddels werkzaam was

als hoofd van de P&O-afdeling van de gemeente [E.], dat kort daarvoor nog een

vacature van GIS-coördinator bij die gemeente was opengesteld en dat die vacature inmiddels

was opgevuld door een kandidaat die nog dezelfde opleidingen moest gaan volgen die

betrokkene in zijn traineeschap reeds met goed gevolg had afgelegd. Verder valt, gelet op

appellants vergaande inspanningsplicht, niet in te zien dat, toen in de bezwaarfase bekend

werd dat de functie van senior GIS-coördinator bij de gemeente [B. ] eind 2010

beschikbaar zou komen, sprake was van een passende of passend te maken functie voor

betrokkene, zodat hij daarin in vaste dienst kon worden aangesteld.

3.4. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat appellant ernstig tekort is geschoten in de

- onder de gegeven omstandigheden op hem rustende - inspanningsverplichting tot

herplaatsing van betrokkene.

3.5. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit geen

standhoudt. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak komt voor

bevestiging in aanmerking.

Het besluit van 4 oktober 2011

3.6. Bij het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 4 oktober 2011

heeft appellant het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard. In de motivering

van dit besluit zijn de overwegingen van de rechtbank niet gevolgd en zijn louter de gronden

van het hoger beroep van appellant herhaald. Daarmee heeft appellant op onjuiste wijze

uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Dit besluit, dat met overeenkomstige

toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede deel uitmaakt

van dit geding, dient dus te worden vernietigd. Appellant dient met inachtneming van deze

uitspraak van de Raad een nieuw besluit op bezwaar van betrokkene te nemen.

4. De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te

veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot

op het bedrag van € 874,- voor kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

- draagt appellant op om, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw te beslissen op het

bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 31 mei 2010;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 454,- in hoger beroep wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en

W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De

beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2012.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) T.J. van der Torn.