Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9395

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
10-4883 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Niet kan worden volgehouden dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld op basis van de verklaring en de reconstructie van appellante. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging bestreden besluit. Herroeping van het primaire besluit voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken. Appellante heeft in beginsel recht op bijstand. Het college zal het recht moeten vaststellen. Het college is bevoegd om de bijstand van appellante over de in geding zijnde periode te herzien, er mee rekening houdend dat appellante gedurende vijftien uur per week werkzaamheden verricht tegen een uurloon van € 4,08. Nu appellante de uitoefening van de bevoegdheid tot intrekking niet heeft bestreden, moet dat evenzeer gelden voor de uitoefening van de minder ver gaande bevoegdheid tot herziening. In zoverre kan de Raad ook zelf voorzien. Daarmee is gegeven dat het college bevoegd is de kosten van bijstand over de in geding zijnde periode, voor zover die door deze herziening ten onrechte zijn gemaakt, met van appellante terug te vorderen. Dit betekent dat nog slechts het bedrag van de terugvordering dient te worden vastgesteld, terwijl de daarvoor geldende bedragen geen onderwerp van geschil meer kunnen zijn. De Raad kan deze berekening niet zelf maken en geeft daarom op dit punt de opdracht tot het nemen van een nieuw besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4883 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 augustus 2010, 09/4802 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Waterland (college)

Datum uitspraak: 26 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.Th.A.M. Mes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W. van Veen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren [in] 1947, ontving sinds 1981 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Op 1 oktober 2003 is appellante gaan werken als kamermeisje in het [naam hotel] (hotel) in [plaatsnaam]. Appellante heeft dit gemeld en van deze werkzaamheden maandelijks salarisstroken ingeleverd. Uit deze loonstroken valt af te leiden dat appellante verdeeld over vijf dagen per maand achttien uur werkzaamheden verrichtte, tegen een uurloon van € 7,51 tot laatstelijk € 7,83 bruto.

1.2. In een hercontrole heeft de Dienst Zorg en Welzijn van de gemeente Waterland aanleiding gezien de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand te laten onderzoeken door de sociale recherche. In dat kader heeft de sociale recherche bij de woning van appellante en bij het hotel waarnemingen verricht in de periode 20 november 2007 tot en met 5 juni 2008. Op 2 juli 2008 is appellante verhoord. Blijkens het proces-verbaal van dat verhoor heeft appellante verklaard dat zij gedurende de zomermaanden, wanneer het drukker is in het hotel, meer werkt dan de achttien uur per maand die ze heeft opgegeven. Verspreid over drie dagen werkt ze dan zo’n vijftien uur per week. Ze krijgt dagelijks contant per schoongemaakte kamer uitbetaald. Per kamer, waarover ze ongeveer een half uur doet, krijgt ze € 2,04. In de wintermaanden, wanneer het wat rustiger is, werkt ze vaak minder dan de achttien uur per maand die op haar loonstrook staat. Als ze ziek is wordt er niet uitbetaald. De loonstroken die ze iedere maand ontvangt zijn eigenlijk ‘fake’.

1.3. De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 19 maart 2009 de bijstand van appellante over de periode 1 oktober 2003 tot en met 30 juni 2008 met toepassing van de artikelen 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB (en 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Awb)) in te trekken, en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over die periode terug te vorderen met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB (en artikel 81, eerste lid, van de Awb) tot een bedrag van € 54.355,50. Dit besluit berust op de grond dat appellante meer werkzaamheden heeft verricht en meer inkomsten heeft ontvangen dan zij heeft opgegeven, en dat appellante hierdoor haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. Omdat met betrekking tot de omvang van de werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten geen deugdelijke administratie is bijgehouden, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 11 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante meer uren heeft gewerkt dan zij heeft opgegeven en dat zij daarmee de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Omdat appellante er niet in is geslaagd te bewijzen dat er ook bij nakoming van de inlichtingenverplichting recht op aanvullende bijstand zou bestaan, was het college bevoegd de bijstand in te trekken. De omstandigheid dat de werkgever van appellante geen informatie heeft kunnen of willen verstrekken dient voor haar risico te komen, omdat op appellante de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat ook bij nakoming van de inlichtingenverplichting recht bestaat op aanvullende bijstand.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand in de periode van 1 oktober 2003 tot en met 30 juni 2008, wel kan worden vastgesteld. Zij heeft daartoe verwezen naar de in de bezwaarfase gemaakte reconstructie van haar werkzaamheden en inkomsten. Uit het onderzoek van de sociale recherche kan niet worden afgeleid dat appellante meer werkte dan drie dagen per week. Uitgaande van drie dagen per week en tien kamers per dag à € 2,04 per kamer, verdiende zij per maand € 265,20. Omdat al maandelijks op haar bijstandsuitkering een bedrag van € 134,14 werd gekort vanwege de op de loonstroken vermelde verdiensten, heeft zij per maand € 131,06 per maand ten onrechte bijstand ontvangen, aldus appellante.

Appellante heeft in dit verband ook nog betoogd dat het niet redelijk is de omstandigheid dat de werkgever, die appellante zwart betaalde en om die reden niet bereid is om informatie te verstrekken, voor risico van appellante te laten komen. Het had in dit geval in de rede gelegen dat de sociale recherche ook de werkgever had verhoord.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat appellante in de in geding zijnde periode meer gewerkt heeft dan zij heeft opgegeven en dat appellante daarmee heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor beëindiging of intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandsbehoeftige omstandigheden. Het is dan aan betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de desbetreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Daarbij wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 20 september 2007, LJN BB6243), dat indien ondanks schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand kan worden vastgesteld, het bijstandsverlenend orgaan daartoe dient over te gaan.

4.3. Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door betrokkene door hem achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandsverlenend orgaan, indien mogelijk, gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten en omstandigheden, waarbij het eventueel nadeel voor betrokkene, voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, wegens schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening gelaten mag worden. De Raad verwijst in dit verband onder meer naar zijn uitspraak van 27 september 2011, LJN BT5852.

4.4. Tussen partijen is in geschil of het college het recht op bijstand van appellante kon vaststellen en dus daartoe diende over te gaan.

4.5. Uit het onderzoek van de sociale recherche, bestaande uit waarnemingen bij het huis van appellante en bij het hotel, kan niet worden afgeleid dat appellante meer werkzaamheden heeft verricht dan de achttien uur per maand (verdeeld over vijf dagen) die zij heeft opgegeven. Dit is ter zitting door de gemachtigde van het college ook erkend. Dat appellante meer uren heeft gewerkt bij het hotel dan op de salarisstroken wordt vermeld, volgt enkel uit de door appellante tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring.

4.6 De gemachtigde van het college heeft ter zitting te kennen gegeven de verklaring van appellante aannemelijk te vinden.

4.7 Appellante heeft tijdens de bezwaarfase een reconstructie gemaakt van haar werkzaamheden en inkomsten zoals hierboven onder 3 is weergegeven. Zij heeft daarbij haar tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring als uitgangspunt genomen en haar reconstructie - uitgaande van de zomerperiode - gebaseerd op de hoogste bedragen. Van meer dan door appellante erkende werkzaamheden is uit het onderzoek door de sociale recherche niet gebleken. Het college beschikt evenmin over aanwijzingen dat appellante buiten de door haar erkende werkzaamheden, nog meer of andere werkzaamheden heeft verricht of inkomsten heeft ontvangen. Gelet hierop kan niet worden volgehouden dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld op basis van de verklaring en de reconstructie van appellante. De Raad ziet althans geen grond die reconstructie voor onjuist te houden.

4.8 De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

4.9. Uit hetgeen onder 4.5 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het besluit van 19 maart 2009, voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken, dient te worden herroepen. Daaruit volgt voorts dat appellante vanaf 1 oktober 2003 tot en met 30 juni 2008 in beginsel recht heeft op bijstand. Het college zal het recht moeten vaststellen.

4.10. Gelet op hetgeen onder 4.7 is overwogen, is het college bevoegd om de bijstand van appellante over de periode 1 oktober 2003 tot en met 30 juni 2008 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB te herzien, er mee rekening houdend dat appellante gedurende vijftien uur per week werkzaamheden verricht tegen een uurloon van € 4,08. Nu appellante de uitoefening van de bevoegdheid tot intrekking niet heeft bestreden, moet dat evenzeer gelden voor de uitoefening van de minder ver gaande bevoegdheid tot herziening. In zoverre kan de Raad ook zelf voorzien. Daarmee is gegeven dat het college bevoegd is de kosten van bijstand over de periode 1 oktober 2003 tot en met 30 juni 2008, voor zover die door deze herziening ten onrechte zijn gemaakt, met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellante terug te vorderen. De uitoefening van de terugvorderingsbevoegdheid is evenmin bestreden. Dit betekent dat nog slechts het bedrag van de terugvordering dient te worden vastgesteld, terwijl de daarvoor geldende bedragen geen onderwerp van geschil meer kunnen zijn. De Raad kan deze berekening niet zelf maken. Daarom zal op dit punt een opdracht worden gegeven tot het nemen van een nieuw besluit. Onder deze omstandigheden ziet de Raad af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting.

5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op € 644,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het besluit van 11 augustus 2009;

-herroept het besluit van 19 maart 2009 voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken;

-bepaalt dat de bijstand van appellante over de periode van 1 oktober 2003 tot en met 30 juni 2008 wordt herzien naar de in die periode voor appellante toepasselijke bijstandsnormen verminderd met de verdiensten op basis van vijftien uur per week tegen een uurloon van € 4,08;

-draagt het college op een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2009 te nemen voor zover dat besluit ziet op de terugvordering van de kosten van ten onrechte verleende bijstand met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

-veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.162,--;

-bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. de Jong.

HD