Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9394

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
10-2899 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant betoogt dat de rechtbank hem een rechtsgang heeft ontnomen door in de aangevallen uitspraak het primaire besluit te herroepen en de aanvraag af te wijzen. Hij voert aan dat de rechtbank de zaak had moeten verwijzen naar het college, dat dan een nieuw besluit had moeten nemen. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de te beoordelen periode geen recht op bijstand heeft. Dat brengt mee dat appellant geen rechtens te respecteren, tot zijn persoon te herleiden belang meer heeft bij een beoordeling ten gronde van de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Nu appellant niet om schadevergoeding heeft verzocht en niet is gebleken dat het appellant niet kan worden aangerekend dat hij ondanks de oproep niet ter zitting is verschenen, wordt daaraan de gevolgtrekking verbonden dat het ervoor wordt gehouden dat appellant ook anderszins geen procesbelang heeft. Het hoger beroep is niet ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2899 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2010, 10/223 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Verkerk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2012. Appellant is, ofschoon daartoe opgeroepen, niet verschenen. Het college, eveneens daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 1 september 2009 gemeld om een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand in te dienen. Nadien heeft hij de aanvraag om bijstand ingediend.

1.2. Bij besluit van 12 oktober 2009 (primaire besluit) heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld.

1.3. Bij besluit van 8 december 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. De rechtbank heeft vervolgens de aanvraag afgewezen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant met ingang van

1 september 2009 een stagevergoeding van een zodanige omvang ontvangt dat hij vanaf die datum niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank het primaire besluit heeft herroepen en de aanvraag heeft afgewezen. Hij voert aan dat de rechtbank de zaak had moeten verwijzen naar het college, dat dan een nieuw besluit had moeten nemen. De rechtbank heeft appellant een rechtsgang ontnomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In een geval waarin een aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling is gesteld en na bezwaar bij het besluit op bezwaar alsnog inhoudelijk op die aanvraag wordt beslist, loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het besluit op bezwaar. In dit geval heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak de aanvraag inhoudelijk afgewezen. Het voorgaande betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 1 september 2009 tot en met 15 april 2010.

4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB, 5 juli 2011, LJN BR1230) is eerst sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van beroep of hoger beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de te beoordelen periode geen recht op bijstand heeft. Dat brengt mee dat appellant geen rechtens te respecteren, tot zijn persoon te herleiden belang meer heeft bij een beoordeling ten gronde van de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Nu appellant niet om schadevergoeding heeft verzocht en niet is gebleken dat het appellant niet kan worden aangerekend dat hij ondanks de oproep niet ter zitting is verschenen, wordt daaraan ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:31 van de Awb de gevolgtrekking verbonden dat het ervoor wordt gehouden dat appellant ook anderszins geen procesbelang heeft.

4.4. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.F. Bandringa en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2012.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) M.R. Schuurman.

HD