Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9385

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
11-4859 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor onder meer de kosten van tuinonderhoud. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen behoren volgens vaste rechtspraak van de Raad de kosten van tuinonderhoud tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan die, behoudens bijzondere omstandigheden, uit het reguliere inkomen dienen te worden voldaan. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich bijzondere omstandigheden voordoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4859 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2011, 11/1954 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 26 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kissoentewari.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Op 14 januari 2011 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor onder meer de kosten van tuinonderhoud. Bij besluit van 27 januari 2011, gehandhaafd bij besluit van 15 maart 2011 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat ingevolge artikel 14, aanhef en onder c, van de Wet werk en bijstand (WWB) geen bijstand wordt verstrekt voor geleden schade.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van tuinonderhoud gegrond verklaard, dit besluit in zoverre vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college ter zitting heeft aangegeven niet langer het standpunt te handhaven dat ten gevolge van geleden schade geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor de kosten van tuinonderhoud, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel niet in stand kan blijven. De rechtbank is vervolgens van oordeel, daarbij toetsend aan artikel 35, eerste lid, van de WWB, dat de kosten van tuinonderhoud tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren die in beginsel dienen te worden bestreden uit het inkomen en dat appellante geen gronden heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat zij niet vooraf voor die kosten kon reserveren of deze achteraf door gespreide betaling kan voldoen. Evenmin is de rechtbank gebleken dat appellante bovengemiddelde kosten van tuinonderhoud heeft.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellante voert aan dat zij, gelet op haar minimum inkomen, geen ruimte heeft om vooraf te reserveren en dat gespreide betaling achteraf evenmin een optie is. Zij doet tevens een beroep op de bijzondere situatie dat ten gevolge van zeer achterstallig onderhoud de tuin geheel overwoekerd is en door gebruik van allerlei dieren een zeer onhygiënische situatie is ontstaan. Dit brengt gezondheidsrisico’s met zich mee voor haar zelf en haar kinderen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen behoren volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB van 29 juni 2010, LJN BN0639) de kosten van tuinonderhoud tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan die, behoudens bijzondere omstandigheden, uit het reguliere inkomen dienen te worden voldaan.

4.3. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich bijzondere omstandigheden voordoen. De beschikbare gegevens bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante voor de hier aan de orde zijnde kosten van tuinonderhoud niet had kunnen reserveren of had kunnen voldoen door gespreide betaling achteraf.

4.4. Appellante stelt weliswaar dat sprake is van achterstallig onderhoud en dat de tuin onbegaanbaar is geworden door overwoekering van planten en onkruid, maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij plotseling werd geconfronteerd met extra hoge kosten van tuinonderhoud op grond waarvan sprake is van bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Aan de stelling van appellante dat de tuin gezondheidsrisico’s met zich meebrengt voor haar en haar kinderen wordt voorbij gegaan, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.

4.5. Uit wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. de Jong.

HD