Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
10-6479 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van aanschaf van een bed. In ieder geval worden niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend kosten met betrekking tot geleden (of toegebrachte) schade. De noodzaak om het hier aan de orde zijnde bed aan te schaffen vloeide rechtstreeks voort uit een brand. Er is geen sprake van een dringende reden omdat er geen sprake is van een acute noodsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6479 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2010, 10/3830 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 26 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Verkerk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kissoentewari.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van aanschaf van een bed. Deze aanschaf was nodig omdat haar woning was afgebrand. Bij besluit van 29 april 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 7 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 april 2010 ongegrond verklaard op de grond dat het hier gaat om kosten die voortvloeien uit geleden schade, waarvoor geen bijstand kan worden verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat zij geen schuld heeft aan de brand waardoor schade is ontstaan en dat zij meent dat in deze situatie artikel 14, aanhef en onder c, van de Wet werk en bijstand (WWB) onjuist is toegepast. In de ogen van appellante behoren de kosten van aanschaf van een bed tot de noodzakelijke kosten van het bestaan en kan het niet de ratio en het doel van de wetgever zijn geweest om deze kosten niet voor verstrekking van bijzondere bijstand in aanmerking te laten komen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2 de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2. De rechtbank is met het college terecht tot de conclusie gekomen dat artikel 14, aanhef en onder c, van de WWB zich verzet tegen de verlening van bijstand voor de kosten van aanschaf van een bed. Volgens dat artikel worden in ieder geval niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend kosten met betrekking tot geleden (of toegebrachte) schade. Om dergelijke kosten gaat het hier. De noodzaak om het hier aan de orde zijnde bed aan te schaffen vloeide immers rechtstreeks voort uit de in 1.1 vermelde brand.

4.3. Voor zover appellante met haar stelling dat zij geen schuld had aan deze brand heeft beoogd een beroep te doen op artikel 16, eerste lid, van de WWB, kan deze omstandigheid niet worden beschouwd als dringende redenen in de zin van deze bepaling. Daarvoor is naar vaste rechtspraak (CRvB 1 december 2009, LJN BK6576) vereist dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen. Daarvan is geen sprake. Appellante heeft op grond van haar inboedelverzekering van Fortis ASR Schadeverzekering NV een bedrag van € 18.300,- uitgekeerd gekregen ter vervanging van onder meer de door de brand vernietigde inboedel, inclusief bed. Dat zij deze uitkering voor andere doeleinden heeft gebruikt, doet daaraan niet af.

4.4. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.H. Bel en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) J. de Jong.

HD