Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9314

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
10-194 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene is gehuwd met echtgenote R. Tijdens dit huwelijk heeft betrokkene met een andere vrouw in Frankrijk in 2005 een zoon Z gekregen. Betrokkene heeft bij de aangifte Z erkend; niet is opgegeven wie de moeder van Z is. Vanaf de geboorte van de zoon hebben betrokkene en zijn echtgenote hem opgevoed.

De echtgenote is in juli 2008 overleden. Betrokkenes aanvraag om o.m. een halfwezenuitkering o.g.v. de ANW is afgewezen, omdat betrokkenes echtgenote niet kan worden aangemerkt als de moeder. De Rb. is van oordeel dat sprake is van buitengewone omstandigheden, nu de situatie van betrokkene volstrekt gelijk is aan de situatie van twee ouders die vanaf de geboorte van een kind binnen hun gezin zorg dragen voor dat kind. De Rb. is daarom van oordeel dat sprake is van onredelijke wetstoepassing en dat appellant op grond van de wettelijke bepalingen niet heeft kunnen weigeren een halfwezenuitkering aan betrokkene te verlenen.

Raad: Voorop moet worden gesteld dat het oordeel van de Rb., dat in afwijking van het bepaalde in de ANW uitgaat van een materiële invulling van het begrip halfwees in die wet, niet kan worden onderschreven. Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat slechts wanneer is voldaan aan de wettelijke voorwaarden daartoe, aanspraak bestaat op halfwezenuitkering. Voor zover al sprake is van een hiaat in de wetgeving, voor gevallen als het onderhavige, is het aan de wetgever hierin te voorzien. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven.

Vastgesteld moet worden dat in art. 1, aanhef en onder e, van de ANW met ingang van 1 april 2001 het begrip “ouder” is ingevoerd in plaats van het voordien gehanteerde begrip “de vader of de moeder”. Het begrip ouder is in de ANW niet nader omschreven. Appellant heeft bij de uitleg van dit begrip, in het verlengde van ’s Raads uitspraak van 27 mei 2005 (LJN: AT7628), terecht aansluiting gezocht bij het afstammingsrecht in het BW. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of de echtgenote van betrokkene naar Nederlands personen- en familierecht de moeder is van zoon Z..

In art. 1:198 van het BW is bepaald dat de moeder van een kind is de vrouw uit wie het kind is geboren of die het kind heeft geadopteerd. Vaststaat dat de echtgenote van betrokkene niet op één van deze wijzen vóór haar overlijden de moeder van Z. is geworden. Op grond van de ten tijde van het bestreden besluit bekende feiten en omstandigheden heeft appellant derhalve terecht besloten dat betrokkene niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden voor aanspraak op halfwezenuitkering.

Het in de loop van deze procedure bekend geworden feit, dat op 6 juli 2010 door de Rb. - postuum - de adoptie van Z. door de echtgenote van betrokkene is uitgesproken, kan niet tot een ander oordeel leiden. In de beschikking van de Rb. is expliciet overwogen dat deze adoptie, op grond van art. 1:230, lid 1, van het BW, niet met terugwerkende kracht kan worden uitgesproken. Dit betekent dat de adoptie niet vóór 6 juli 2010 rechtsgevolgen kan hebben. Appellant heeft er terecht opgewezen dat nu de adoptie niet terugwerkt tot de datum van overlijden van de echtgenote van betrokkene, nog steeds niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor aanspraak op halfwezenuitkering. Zoon Z. had immers ten tijde van het overlijden van de echtgenote van betrokkene nog niet twee ouders en derhalve kan niet voldaan worden aan de voorwaarde dat hij “als gevolg van dat overlijden nog één overlevende ouder heeft” als bepaald in art. 1, aanhef en onder e, van de ANW. Ook uit de wetsgeschiedenis van de ANW blijkt overigens dat deze bepaling betrekking heeft op situaties waarin een kind twee ouders heeft ten tijde van het overlijden van een van die ouders. Aangevallen uitspraak vernietigd.

Wetsverwijzingen
Algemene nabestaandenwet 1
Algemene nabestaandenwet 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/194 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van

25 november 2009, 09/1084 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 22 juni 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft hij nog een beschikking betreffende adoptie in het geding gebracht.

Appellant heeft bij brief van 1 november 2010 gereageerd op de toegezonden beschikking. Betrokkene heeft na kennisneming van die brief zijn standpunt nader toegelicht.

Bij brief van 4 augustus 2011 heeft appellant een vraag van de Raad beantwoord. Betrokkene heeft op 10 augustus 2011 gereageerd op de brief van appellant.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012. Appellant heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk. Betrokkene is in persoon verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is [in] 1997 gehuwd met [R.], geboren [in] 1966. Tijdens dit huwelijk heeft betrokkene een relatie gehad met een andere vrouw. Uit die relatie is op 4 oktober 2005 te [plaatsnaam], Frankrijk, geboren [Z.]. Betrokkene heeft bij de aangifte van de geboorte van [Z.] bij de burgerlijke stand te [plaatsnaam] verklaard [Z.] te erkennen. Bij de aangifte is niet opgegeven wie de moeder van [Z.] is. Op 11 oktober 2005 heeft de echtgenote van betrokkene [Z.] bij de burgerlijke stand te [plaatsnaam] erkend. Vanaf de geboorte van [Z.] hebben betrokkene en zijn echtgenote hem opgevoed.

1.2. Betrokkene en zijn echtgenote zijn in 2006 benoemd tot voogden over [Z.]. Bij beschikking van 25 oktober 2007 heeft de rechtbank Breda het vaderschap van betrokkene vastgesteld met betrekking tot [Z.]. In april 2008 heeft die rechtbank de geboortegegevens van [Z.] vastgesteld, waardoor [Z.] de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.

1.3. De echtgenote van betrokkene is op 31 juli 2008 overleden. Vervolgens heeft betrokkene een aanvraag ingediend om - onder meer - een halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW).

1.4. Bij besluit op bezwaar van 3 maart 2009 (bestreden besluit) heeft appellant zijn besluit van 17 september 2008, waarbij is geweigerd een halfwezenuitkering aan betrokkene toe te kennen, na bezwaar gehandhaafd. Daarbij heeft appellant overwogen dat de echtgenote van betrokkene niet aangemerkt kan worden als de moeder van [Z.] als bedoeld in artikel 1:198 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Door het overlijden van de echtgenote van betrokkene is [Z.] volgens appellant geen halfwees geworden in de zin van de ANW. Voorts is overwogen dat de erkenning van [Z.] naar Frans recht door de echtgenote van betrokkene volgens Nederlands recht niet erkend kan worden.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe is overwogen dat appellant op grond van de wettelijke bepalingen het verzoek om een halfwezenuitkering terecht heeft afgewezen, maar dat hier sprake is van buitengewone omstandigheden nu de situatie van betrokkene volstrekt gelijk is aan de situatie van twee ouders die vanaf de geboorte van een kind binnen hun gezin zorg dragen voor dat kind. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van onredelijke wetstoepassing en dat appellant op grond van de wettelijke bepalingen niet heeft kunnen weigeren een halfwezenuitkering aan betrokkene te verlenen.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat [Z.] geen halfwees is in de zin van de ANW, omdat hij geen ouder in de zin van de ANW heeft verloren. De echtgenote van betrokkene kan niet aangemerkt worden als een van zijn ouders, nu zij niet de biologische moeder was van [Z.] en zij [Z.] vóór haar overlijden niet had geadopteerd.

3.2. Betrokkene heeft in hoger beroep een beschikking van de rechtbank Breda van 6 juli 2010 overgelegd, waarbij de adoptie van [Z.] door de echtgenote van betrokkene is uitgesproken. Daarbij is overwogen dat de adoptie slechts rechtsgevolgen kan hebben met ingang van de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is in geschil of appellant terecht heeft geweigerd een halfwezenuitkering aan betrokkene toe te kennen op de grond dat [Z.] geen halfwees is ingevolge de ANW.

4.2. Voorop moet worden gesteld dat het oordeel van de rechtbank, dat in afwijking van het bepaalde in de ANW uitgaat van een materiële invulling van het begrip halfwees in die wet, niet kan worden onderschreven. Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat slechts wanneer is voldaan aan de wettelijke voorwaarden daartoe, aanspraak bestaat op halfwezenuitkering. Voor zover al sprake is van een hiaat in de wetgeving, voor gevallen als het onderhavige, is het aan de wetgever hierin te voorzien. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven.

4.3. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die een halfwees heeft, jonger dan 18 jaar, die niet tot het huishouden van een ander behoort, recht op een halfwezenuitkering. Voorts is in artikel 1, aanhef en onder e, van de ANW bepaald dat onder halfwees wordt verstaan: een ongehuwd kind, van wie één van de ouders is overleden en van wie die ouder op de dag van overlijden verzekerd was op grond van deze wet en dat als gevolg van dat overlijden nog een overlevende ouder heeft. Voor de aanspraak van betrokkene op een halfwezenuitkering is derhalve van doorslaggevend belang of zijn echtgenote een ouder van [Z.] was of als zodanig aangemerkt moet worden.

4.4. Vastgesteld moet worden dat in artikel 1, aanhef en onder e, van de ANW met ingang van 1 april 2001 het begrip “ouder” is ingevoerd in plaats van het voordien gehanteerde begrip “de vader of de moeder”. Het begrip ouder is in de ANW niet nader omschreven. Appellant heeft bij de uitleg van dit begrip, in het verlengde van ’s Raads uitspraak van 27 mei 2005 (LJN AT7628), terecht aansluiting gezocht bij het afstammingsrecht in het BW. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of de echtgenote van betrokkene naar Nederlands personen- en familierecht de moeder is van [Z.].

4.5. In artikel 1:198 van het BW is bepaald dat de moeder van een kind is de vrouw uit wie het kind is geboren of die het kind heeft geadopteerd. Vaststaat dat de echtgenote van betrokkene niet op één van deze wijzen vóór haar overlijden de moeder van [Z.] is geworden. Op grond van de ten tijde van het bestreden besluit bekende feiten en omstandigheden heeft appellant derhalve terecht besloten dat betrokkene niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden voor aanspraak op halfwezenuitkering.

4.6. Het in de loop van deze procedure bekend geworden feit, dat op 6 juli 2010 door de rechtbank - postuum - de adoptie van [Z.] door de echtgenote van betrokkene is uitgesproken, kan niet tot een ander oordeel leiden. In de beschikking van de rechtbank is expliciet overwogen dat deze adoptie, op grond van artikel 1:230, eerste lid, van het BW, niet met terugwerkende kracht kan worden uitgesproken. Dit betekent dat de adoptie niet vóór 6 juli 2010 rechtsgevolgen kan hebben. Appellant heeft er terecht opgewezen dat nu de adoptie niet terugwerkt tot de datum van overlijden van de echtgenote van betrokkene, nog steeds niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor aanspraak op halfwezenuitkering. [Z.] had immers ten tijde van het overlijden van de echtgenote van betrokkene nog niet twee ouders en derhalve kan niet voldaan worden aan de voorwaarde dat hij “als gevolg van dat overlijden nog één overlevende ouder heeft” als bepaald in artikel 1, aanhef en onder e, van de ANW. Ook uit de wetsgeschiedenis van de ANW blijkt overigens dat deze bepaling betrekking heeft op situaties waarin een kind twee ouders heeft ten tijde van het overlijden van een van die ouders.

4.7. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden en het beroep alsnog ongegrond verklaard moet worden.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-Vernietigt de aangevallen uitspraak;

-Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2012.

(get.) M.M. van der Kade

(get.) J.R. Baas

TM