Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9173

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
11-447 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat appellante niet voldeed aan de voorwaarde dat zij arbeidsongeschikt was op de dag waarop zij de leeftijd van 17 jaar bereikte. Voor de toepassing van de Wajong is niet beslissend of appellante op de dag waarop zij 17 jaar werd, aan schizofrenie leed maar of, als dit het geval was, die ziekte op die datum reeds zodanige arbeidsbeperkingen meebracht dat appellante hierdoor op die datum 75% of minder van het voor haar toen geldende minimumloon kon verdienen. Er zijn geen aanwijzingen om tot de conclusie te kunnen komen dat bij appellante sprake was van beperkingen voor arbeid op het 17e levensjaar. Niet is gebleken is dat appellante in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden gedurende ten minste zes maanden studerende is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/447 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2010, 09/5726 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering (Uwv)

Datum uitspraak 22 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 3 maart 2011 zijn namens appellante nadere stukken in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met als bijlage een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 8 maart 2011.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.M. Steeman.

OVERWEGINGEN

1. Het onderhavige geschil dient te worden beoordeeld aan de hand van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals deze luidde ten tijde van belang.

1.1. Bij een op 31 maart 2009 gedateerd formulier heeft appellante, geboren [in] december 1980, een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wajong. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij vanaf ongeveer 2002 arbeidsongeschikt is.

1.2. Bij besluit van 7 augustus 2009 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen omdat appellante niet kon worden aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van de Wajong. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat appellante niet voldeed aan de voorwaarde dat zij arbeidsongeschikt was op de dag waarop zij de leeftijd van 17 jaar bereikte noch aan de voorwaarde dat zij in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden gedurende ten minste zes maanden studerende was.

1.3. Bij besluit van 28 oktober 2009 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 augustus 2009 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat als eerste dag van arbeidsongeschiktheid niet 5 april 2004 maar 1 januari 2004 dient te worden aangenomen. Voorts heeft het Uwv overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de referteperiode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2004 studerende was in de zin van artikel 5, tweede lid, onderdeel e, van de Wajong. Genoemd artikelonderdeel vereist dat appellante, om als jonggehandicapte te worden aangemerkt, in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. Het Uwv heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat appellante niet aan deze voorwaarde heeft voldaan omdat zij geen studiefinanciering, een financiële voorziening of een andere tegemoetkoming in de studiekosten ontving en dat de opleiding evenmin 213 klokuren per kwartaal behelsde.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe geoordeeld dat er onvoldoende aanwijzingen aanwezig zijn voor de conclusie dat bij appellante op haar 17e sprake was van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van schizofrenie. De rechtbank heeft overwogen dat uit de door eiseres overgelegde informatie van Mentrum van 2 oktober 2009 weliswaar blijkt dat eiseres mogelijk voor haar 17e al last heeft gehad van een aantal symptomen van de ziekte schizofrenie, welke ziekte een geleidelijk verloop heeft, maar dat hieruit onvoldoende blijkt dat bij eiseres sprake was van arbeidsongeschiktheid als gevolg hiervan. Daarbij acht zij van belang dat eiseres ondanks de symptomen in staat was een opleiding te beginnen en gedurende een structurele periode te werken. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop haar arbeidsongeschiktheid is ingetreden niet gedurende ten minste zes maanden studerende was. Daartoe heeft zij overwogen dat niet in geschil is dat de opleiding van appellante per week uit 4,5 uren onderwijs en vier dagen per week ongeveer vier uren zelfstudie bestond, maar dat zelfstudie niet valt aan te merken als “lessen of stages” als bedoeld in artikel 5, tweede lid onder e, van de Wajong en derhalve terecht door het Uwv bij de beoordeling buiten beschouwing is gelaten. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij met het Uwv van oordeel is dat appellante evenmin op grond van de Regeling Klokuren 1998 als studerende kan worden aangemerkt omdat haar studiebelasting niet ten minste 1600 uur per jaar bedroeg.

3.1. In hoger beroep heeft appellante haar stelling dat zij al op de leeftijd van 17 jaar arbeidsongeschikt was door de ziekte schizofrenie herhaald.

Ter onderbouwing van deze stelling heeft appellante een verklaring van 20 februari 2011 van haar huisarts G.A. de Graaf en een verklaring van 10 februari 2011 van haar buurmeisjes overgelegd. Voorts heeft appellante haar stelling dat zij in de referteperiode ten minste zes maanden studerende was herhaald.

3.2. Bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink heeft op de door appellante ingebrachte verklaringen gereageerd in een rapport van 8 maart 2011, waarin hij stelt dat de verklaring van de huisarts, waarin deze bevestigt dat sprake is van schizofrenie, conform de reeds eerder meegewogen gegevens van de psychiater. De bezwaarverzekeringsarts wijst erop dat het er om gaat dat niet gebleken is dat appellantes functioneren daarmee rond haar 17e al dusdanig verstoord was dat daarmee toen al een langdurige periode van arbeidsongeschiktheid kon worden aangenomen. Hij benadrukt dat hij reeds eerder heeft aangegeven dat op basis van de aanwezige gegevens een eerste ziektedag van 1 januari 2004 het meest voor de hand ligt. Met betrekking tot de verklaring van de bekenden van appellante stelt de bezwaarverzekeringsarts dat deze verklaring niet als medisch stuk is aan te merken en er ook overigens geen structurele arbeidsongeschiktheid uit is af te leiden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellante niet voldeed aan de voorwaarde dat zij arbeidsongeschikt was op de dag waarop zij de leeftijd van 17 jaar bereikte. Evenals de rechtbank en het Uwv benadrukt de Raad dat voor de toepassing van de Wajong niet beslissend is of appellante op de dag waarop zij 17 jaar werd, aan schizofrenie leed maar of, als dit het geval was, die ziekte op die datum reeds zodanige arbeidsbeperkingen meebracht dat appellante hierdoor op die datum 75% of minder van het voor haar toen geldende minimumloon kon verdienen. De door appellante in hoger beroep overgelegde verklaring van haar huisarts geeft weliswaar aanleiding voor het stellen van de diagnose schizofrenie in het 17e levensjaar, maar de vraag welke arbeidsbeperkingen hier in verband met de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten tijde in geding uit voortvloeide wordt daarin niet beantwoord. Ook in de overige gedingstukken, waaronder de verklaringen van psychiater F. Verduin van 28 mei en 2 oktober 2009, heeft de Raad geen aanwijzingen gevonden om tot de conclusie te kunnen komen dat bij appellante sprake was van beperkingen voor arbeid op het 17e levensjaar. Evenals de rechtbank acht de Raad daarbij van belang dat appellante tot 2004 heeft gestudeerd en dat zij - blijkens de door het Uwv bijgehouden registratie van appellantes arbeidsverleden - daarnaast structureel heeft gewerkt. Van gerichte behandeling in verband met schizofrenie, die arbeidsbeperkingen meebrengt, is gezien appellantes verklaring bij de hoorzitting in aanwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts, eerst gebleken nadat appellante tijdens de jaarwisseling in 2003 vanwege haar klachten niet langer kon functioneren. Het Uwv heeft dan ook terecht als eerste dag van arbeidsongeschiktheid 1 januari 2004 aangenomen.

4.2. Zoals bezwaarverzekeringsarts De Vink in zijn rapport van 21 oktober 2009 heeft overwogen leidt het aannemen van 1 januari 2004 als eerste dag van arbeidsongeschiktheid er wellicht toe dat appellante mogelijk recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting vertrouwt de Raad er op dat het Uwv alsnog appellantes arbeidsongeschiktheid in het kader van die wet zal beoordelen.

4.3. De Raad overweegt tot slot dat hem ook niet gebleken is dat appellante in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden (1 januari 2003 tot 1 januari 2004) gedurende ten minste zes maanden studerende is geweest. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dienaangaande en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. In hoger beroep heeft appellante geen gegevens in het geding gebracht die hem tot een ander oordeel moeten leiden.

5. Hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) L. van Eijndthoven.

ew