Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
10-1216 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar aanleiding van een tip is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen bij instanties, zijn getuigen gehoord en zijn appellante en [N.] verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport. De inhoud van het rapport is voor het college aanleiding geweest om bij besluit de bijstand van appellante in te trekken op de grond dat zij met [N.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat [N.] een inkomen heeft dat minstens zo hoog is als de uitkering van appellante. Het bezwaar daartegen van appellante heeft het college gegrond verklaard in die zin dat de intrekkingsperiode is beperkt. Appellante heeft tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld. In beroep heeft appellante onder meer aangevoerd dat het college in bezwaar en beroep, ondanks een verzoek daartoe van appellante, de onderliggende processen-verbaal niet heeft overgelegd. Bij brief aan de Rb. heeft het college processen-verbaal alsnog in het geding gebracht. Bij de aangevallen uitspraak heeft de Rb. het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien. De Rb. heeft, voor zover hier van belang, de besluitvorming van het college in strijd met art. 3:2 en art. 7:4 Awb geacht, omdat het college niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage heeft gelegd en zich niet heeft vergewist van de juistheid van de in het rapport vermelde feiten. De Rb. heeft de zaak vervolgens inhoudelijk beoordeeld, omdat de processen-verbaal in beroep zijn overgelegd en appellante op de inhoud ervan heeft kunnen reageren.

Appellante voert in hoger beroep aan dat de Rb. niet zelf in de zaak had mogen voorzien, maar de zaak had moeten terugwijzen naar het college. Zij stelt dat de Rb. gebruik heeft gemaakt van originele stukken die in de bezwaarfase bij appellante niet bekend waren en waarop zij in die fase dus niet heeft kunnen reageren. Als gevolg daarvan is appellante het recht op een eerlijk proces in de bezwaarfase onthouden. De Raad overweegt dat de Rb. appellante heeft gevolgd in haar beroepsgrond dat de besluitvorming in de bezwaarfase niet zorgvuldig is geweest, hetgeen ook tot vernietiging van het bestreden besluit heeft geleid. De Rb. heeft vervolgens terecht bezien of het geschil finaal zou kunnen worden beslecht. Niet bestreden is dat de originele processen-verbaal in de fase van het beroep (uiteindelijk) deel uitmaakten van het procesdossier en dat appellante hierop in beroep heeft kunnen reageren. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellante de Rb. heeft verzocht om aanhouding van de zaak voor een nadere bestudering van de originele processen-verbaal van het fraudeonderzoek. Appellante heeft in beroep evenmin aangevoerd dat de in het rapport opgenomen samenvattingen van de getuigenverklaringen en van de door appellante en [N.] afgelegde verklaringen niet overeenkomen met de originele processen-verbaal. Verder blijkt uit het in beroep ingediende beroepschrift dat appellante het bestreden besluit en het onderliggende rapport op diverse punten inhoudelijk heeft aangevochten. Niet is gebleken dat het beschikbaar komen van de originele processen-verbaal het college noopte tot een inhoudelijke herbeoordeling van de zaak. In dat verband heeft de gemachtigde van het college ter zitting van de Raad opgemerkt dat de samenvatting van de processen-verbaal niet afwijkt van de inhoud van originele processen-verbaal. Onder deze omstandigheden, en nu ook overigens niet is gebleken dat de gedingstukken onvoldoende gegevens bevatten voor een finale afdoening van het geschil door de Rb., heeft de Rb. ervoor kunnen kiezen de zaak zelf (geheel) af te doen. Daardoor zijn de processuele belangen van appellante niet geschaad. Een nadere beoordeling van de zaak door het college in een nieuwe bezwaarprocedure zou geen toegevoegde waarde hebben gehad.

Bij het voorgaande wordt aangetekend dat appellante in hoger beroep opnieuw de gelegenheid heeft gehad op de originele processen-verbaal te reageren en deze stukken te betrekken bij haar betwisting van de juistheid van het bestreden besluit en het oordeel van de Rb. over de intrekking van de bijstand. Appellante heeft die gelegenheid, waarmee het inhoudelijke verschil van opvatting tussen appellante en het college in een tweede, feitelijke rechterlijke instantie aan de orde had kunnen komen, evenwel niet benut.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1216 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam 22 januari 2010, 09/4303 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 19 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Palanciyan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2012. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1 april 2001 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een tip dat appellante sinds vier jaar samenwoont met K.R. [N.] ([N.]) heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Dat onderzoek heeft ertoe geleid dat het onderzoeksdossier is overgedragen aan de sociale recherche. De sociale recherche heeft vervolgens nader onderzoek gedaan. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen bij instanties, zijn getuigen gehoord en zijn appellante en [N.] verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een Rapport Uitkeringsfraude van 17 juni 2009 (rapport).

1.3. De inhoud van het rapport is voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 26 juni 2009 (primair besluit) de bijstand van appellante met ingang van 14 juli 2004 in te trekken op de grond dat zij met [N.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat [N.] een inkomen heeft dat minstens zo hoog is als de uitkering van appellante.

1.4. Bij besluit van 19 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 juni 2009 gegrond verklaard in die zin dat de intrekkingsperiode wordt beperkt tot de periode van 14 juni 2004 tot en met 9 april 2008.

1.5. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In dat kader is aangevoerd dat het college in bezwaar en beroep, ondanks een verzoek daartoe van appellante, de onderliggende processen-verbaal niet heeft overgelegd en dat moet worden aangenomen dat het college zijn besluitvorming heeft gebaseerd op een samenvatting van de processen-verbaal, zoals opgenomen in het rapport. Bij brief aan de rechtbank van 30 november 2009 heeft het college de in het kader van het onderzoek door de sociale recherche opgemaakte processen-verbaal alsnog in het geding gebracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen, de bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 30 maart 2006 tot en met 9 april 2008, en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens zijn bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft, voor zover in dit geding van belang, de besluitvorming van het college in strijd met de artikelen 3:2 en 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht geacht, omdat het college niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage heeft gelegd en zich, gelet op de bij 1.4 beschreven gang van zaken, niet heeft vergewist van de juistheid van de in het rapport vermelde feiten. De rechtbank heeft de zaak vervolgens inhoudelijk beoordeeld, omdat de processen-verbaal in beroep zijn overgelegd en appellante op de inhoud ervan heeft kunnen reageren. De rechtbank heeft voorts onvoldoende grondslag gezien voor intrekking van de bijstand over de periode voorafgaand aan 30 maart 2006.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt dat de rechtbank niet zelf in de zaak had mogen voorzien, maar de zaak had moeten terugwijzen naar het college. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank gebruik heeft gemaakt van originele stukken die in de bezwaarfase bij appellante niet bekend waren en waarop zij in die fase dus niet heeft kunnen reageren. Als gevolg daarvan is appellante het recht op een eerlijk proces in de bezwaarfase onthouden. Zij volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat de rechten van appellante niet zijn geschonden omdat zij in de beroepsfase wel op de originele processen-verbaal heeft kunnen reageren. Haar rechten zijn wel degelijk geschonden, namelijk in de bezwaarfase.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft appellante gevolgd in haar beroepsgrond dat de besluitvorming in de bezwaarfase niet zorgvuldig is geweest, hetgeen ook tot vernietiging van het bestreden besluit heeft geleid. De rechtbank heeft vervolgens terecht bezien of het geschil finaal zou kunnen worden beslecht. Op grond van de volgende overwegingen volgt de Raad appellante niet in haar standpunt dat de rechtbank niet zelf in de zaak had mogen voorzien.

4.2. Appellante heeft de overweging van de rechtbank dat de originele processen-verbaal in de fase van het beroep (uiteindelijk) deel uitmaakten van het procesdossier en dat appellante hierop in beroep heeft kunnen reageren niet bestreden. Verder blijkt uit de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank, niet dat appellante de rechtbank heeft verzocht om aanhouding van de zaak voor een nadere bestudering van de originele processen-verbaal van het fraudeonderzoek. Appellante heeft in beroep evenmin aangevoerd dat de in het rapport opgenomen samenvattingen van de getuigenverklaringen en van de door appellante en [N.] afgelegde verklaringen niet overeenkomen met de originele processen-verbaal. Verder blijkt uit het in beroep ingediende beroepschrift dat appellante het bestreden besluit en het onderliggende rapport op diverse punten inhoudelijk heeft aangevochten. Niet is gebleken dat het beschikbaar komen van de originele processen-verbaal het college noopte tot een inhoudelijke herbeoordeling van de zaak. In dat verband heeft de gemachtigde van het college ter zitting van de Raad opgemerkt dat de samenvatting van de processen-verbaal niet afwijkt van de inhoud van originele processen-verbaal. Onder deze omstandigheden, en nu ook overigens niet is gebleken dat de gedingstukken onvoldoende gegevens bevatten voor een finale afdoening van het geschil door de rechtbank, heeft de rechtbank ervoor kunnen kiezen de zaak zelf (geheel) af te doen. Daardoor zijn de processuele belangen van appellante niet geschaad. Een nadere beoordeling van de zaak door het college in een nieuwe bezwaarprocedure zou geen toegevoegde waarde hebben gehad.

4.3. Bij het voorgaande wordt aangetekend dat appellante in hoger beroep opnieuw de gelegenheid heeft gehad op de originele processen-verbaal te reageren en deze stukken te betrekken bij haar betwisting van de juistheid van het bestreden besluit en het oordeel van de rechtbank over de intrekking van de bijstand. Appellante heeft die gelegenheid, waarmee het inhoudelijke verschil van opvatting tussen appellante en het college in een tweede, feitelijke rechterlijke instantie aan de orde had kunnen komen, evenwel niet benut.

4.4. De hoger beroepsgronden van appellante slagen niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.J.M. Heijs en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.C. Oomkens.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD