Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9140

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
12-861 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toelating tot de maatschappelijke opvang afgewezen. Het besluit dient te worden opgevat als een weigering van het college om de reeds geboden opvangvoorziening van € 375,-- per maand uit te breiden in de door verzoeker gewenste zin. Verzoeker is bekend met een HIV-1 infectie en dient zich strikt aan zijn medicatie te houden. Het kost verzoeker in toenemende mate grote moeite om zich aan dit voorschrift te houden, omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. De GGD-arts heeft uit onderzoek de conclusie getrokken dat verzoeker niet ziek is en heeft bij een oriënterend lichamelijk onderzoek geen afwijkingen gevonden. De GGD-arts heeft vervolgens contact opgenomen met de behandelend internist in het AMC, waarbij is meegedeeld dat verzoeker stabiel is ingesteld op medicatie. De conclusie van de GGD-arts is dat er geen medische redenen zijn om ten behoeve van verzoeker een zogenaamde ziekenboegindicatie af te geven. Bij verzoeker is sprake van HIV-infectie die in de periode in geding met succes wordt behandeld. Nog daargelaten de vraag of - gelet op de mate van kwetsbaarheid van verzoeker - artikel 8 van het EVRM het college tot enige vorm van maatschappelijke opvang dwingt, acht de voorzieningenrechter, zo hiervan wel sprake zou zijn, het toegekende bedrag van € 375,-- in de gegeven omstandigheden als voorziening voor tijdelijke opvang in ieder geval toereikend. Bevestiging aangevallen uitspraak. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/861 WMO

12/1207 WMO-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak 12 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2012, 11/6201 en 11/5862, (aangevallen uitspraak), en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak met registratienummers 11/7227 WWB en 12/1196 WWB-VV. Verzoeker is verschenen en heeft zich laten bijstaan door mr. Fischer en mr. C.J. Forder. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari en mr. F.G. Veldstra. Na de sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Verzoeker, geboren in 1978, heeft de Ghanese nationaliteit en beschikte tot 1 februari 2011 over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking “ondergaan van medische behandeling”. Bij besluit van 1 februari 2011 heeft de Minister van Immigratie en Asiel (de Minister), na een medisch advies van het Bureau Medische Advisering van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 25 januari 2011, geweigerd deze vergunning te verlengen. Bij brief van 28 maart 2011 heeft verzoeker de Minister verzocht het besluit van 1 februari 2011 in te trekken en een nieuw besluit tot verlening van zijn verblijfsvergunning te nemen. Verzoeker is HIV-geïnfecteerd en krijgt antiretrovirale therapie in het Academisch Medisch Centrum (AMC). Het AMC verstrekt verzoeker geneesmiddelen.

2.2. Verzoeker ontving sinds 6 november 2007 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 13 april 2011 heeft het college deze uitkering met ingang van 1 februari 2011 ingetrokken, op de grond dat verzoeker niet langer beschikte over de voor toekenning van bijstand vereiste verblijfsstatus.

2.3. Bij besluit van 12 juli 2011 heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 13 april 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat zijn uitkering ingevolge de WWB met ingang van 14 april 2011 wordt ingetrokken.

2.4. Op 16 mei 2011 heeft verzoeker het college verzocht hem toe te laten tot de maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), dan wel om hem buitenwettelijke hulp te verlenen.

2.5. Op 17 mei 2011 heeft verzoeker voorts het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) verzocht hem opvang te verlenen, welk verzoek bij besluit van 10 juni 2011 is afgewezen op de grond dat verzoeker nimmer een asielprocedure heeft doorlopen. Voorts heeft het COA geen aanleiding gezien verzoeker op te vangen op basis van zeer bijzondere omstandigheden en een acute noodsituatie.

2.6. Vanaf juni 2011 ontvangt verzoeker een bedrag van € 375,-- per maand uit het gemeentelijk Fonds Gevolgen Vreemdelingenwetgeving, teneinde hem in staat te stellen zelf een kamer te huren dan wel op andere wijze zijn dakloosheid te voorkomen. Per kwartaal wordt beoordeeld of verzoeker voor verlenging van deze voorziening in aanmerking komt.

2.7. Bij besluit van 24 augustus 2011 heeft het college de aanvraag van verzoeker om toelating tot de maatschappelijke opvang afgewezen. Daarbij is aangegeven dat verzoeker een verblijfsstatus heeft op grond van artikel 8, onder g en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). In deze situatie heeft verzoeker slechts een aanspraak op voorzieningen voor zover deze worden toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dan wel bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift waarin aanspraken van deze vreemdeling zijn neergelegd. Verzoeker behoort voorts niet tot de doelgroep van de opvang als vastgelegd in de Toegangscriteria verblijf in de maatschappelijke opvang van de gemeente Amsterdam.

2.6. Bij besluit van 29 november 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 24 augustus 2011 ongegrond verklaard. Daarbij is ter motivering van het besluit verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 24 november 2011. In dit advies is overwogen dat op grond van de jurisprudentie van de Raad de lijn van de gemeente Amsterdam is dat in crisissituaties, waarin sprake is van de dakloosheid van mensen die tot een kwetsbare groep behoren, tijdelijke noodopvang wordt geboden. De commissie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat verzoeker met de ondersteuning uit het Fonds Gevolgen Vreemdelingenwetgeving een kamer kan huren en dat er geen aanleiding is op basis van acute nood anderszins opvang te bieden.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover in dit geding van belang, het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5.1. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker ten tijde in dit geding van belang op grond van artikel 8, onder g, van de Vw rechtmatig verblijf heeft in Nederland.

5.3. Het besluit van het college tot toekenning van € 375,-- per maand voor een periode van - aanvankelijk - drie maanden berust op het standpunt dat de situatie van verzoeker, niettegenstaande het koppelingsbeginsel, aanleiding geeft hem te steunen ter voorkoming van dakloosheid.

5.4. Uit de uitspraak van de Raad van 9 mei 2012, LJN BW6239, volgt dat een beslissing van het college inhoudende dat een belanghebbende recht heeft op de bekostiging van zijn tijdelijke opvang moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat gebaseerd is op artikel 20, in verbinding met artikel 1, eerste lid, onder en c, van de Wmo. Dat het daarbij in sommige gevallen gaat om personen die ingevolge artikel 10, eerste lid van de Vw 2000 in beginsel geen aanspraak kunnen maken op voorzieningen doet hieraan niet af. Zoals de Raad meermalen heeft geoordeeld volgt onder bepaalde omstandigheden uit de doorwerking van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in de nationale rechtsorde, dat niet in redelijkheid kan worden volgehouden dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang in de vorm van het tijdelijk bieden van onderdak blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen om wel toegelaten te worden. Ook het feit dat de Raad heeft geoordeeld dat uit artikel 2 van de Wmo volgt dat de positieve verplichting van de staat om bij opvang van vreemdelingen recht te doen aan artikel 8 van het EVRM zich primair richt tot het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 2 van de Wmo, doet aan het voorgaande niet af.

5.5. Vaststaat dat het bedrag van € 375,-- per maand al ten tijde van het primaire besluit aan verzoeker was toegekend. In de motivering van het bestreden besluit is aangegeven dat er gelet op de verstrekking van € 375,-- per maand voor opvang, geen aanleiding is in het kader van de WMO een verdergaande voorziening te treffen. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding het bestreden besluit op te vatten als een weigering van het college om de reeds geboden opvangvoorziening van € 375,-- per maand uit te breiden in de door verzoeker gewenste zin. Verzoeker heeft ter zitting van de voorzieningenrechter te kennen gegeven dat het college structureel zou moeten voorzien in een kamer met keukenblok, zodat het bedrag van € 375,-- kan worden besteed aan levensonderhoud.

5.6. Uit de verklaring van de internist prof. dr. T. van der Poll, verbonden aan het AMC, van 25 mei 2011 blijkt dat verzoeker vanaf juli 2006 bekend is met een HIV-1 infectie en dat hij vanaf september 2006 een antiretrovirale therapie krijgt die levenslang moet worden voortgezet. Bovendien is een regelmatig leven van essentieel belang. In dit kader is behandeling van een HIV-infectie van mensen die geen vaste verblijfplaats hebben en/of geen middelen hebben in hun normale levensonderhoud te voorzien (zoals voedsel) niet goed mogelijk. Bij het staken van de therapie en onvoldoende controle is het aannemelijk dat er een levensbedreigende situatie ontstaat. In de door verzoeker overgelegde verklaring van

prof. dr. S.A. Danner, verbonden aan het VU Medisch Centrum te Amsterdam, van 22 mei 2012 is aangegeven dat het buitengewoon belangrijk is dat HIV-remmers precies op tijd en precies volgens de additionele voorschriften worden ingenomen. Verzoeker dient één tablet per dag te slikken, die steeds op hetzelfde tijdstip met enig voedsel moet worden ingenomen. Het kost verzoeker in toenemende mate grote moeite om zich aan dit voorschrift te houden, omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. De GGD heeft verzoeker op 23 december 2011 onderzocht. Uit dat onderzoek heeft de GGD-arts de conclusie getrokken dat verzoeker niet ziek is en dat bij een oriënterend lichamelijk onderzoek geen afwijkingen worden gevonden. De GGD-arts heeft vervolgens contact opgenomen met de behandelend internist in het AMC, waarbij is meegedeeld dat verzoeker stabiel is ingesteld op medicatie. De conclusie van de GGD-arts is dat er geen medische redenen zijn om ten behoeve van verzoeker een zogenaamde ziekenboegindicatie af te geven.

5.7. Bij verzoeker is sprake van HIV-infectie die in de periode in geding met succes wordt behandeld. Nog daargelaten de vraag of - gelet op de mate van kwetsbaarheid van verzoeker - artikel 8 van het EVRM het college tot enige vorm van maatschappelijke opvang dwingt, acht de voorzieningenrechter, zo hiervan wel sprake zou zijn, het toegekende bedrag van € 375,-- in de gegeven omstandigheden als voorziening voor tijdelijke opvang in ieder geval toereikend.

5.8. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter tevens geen grond voor een veroordeling tot schadevergoeding.

6. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

7. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- Bevestigt de aangevallen uitspraak;

- Wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2012.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD