Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
11-2592 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering. Niet gebleken dat appellant tegen het toekenningsbesluit rechtsmiddelen heeft aangewend, dus heeft de rechtbank dat besluit terecht als een onaantastbaar gegeven beschouwd. Uitgaande daarvan moest het Uwv de door appellant gewerkte uren in mindering brengen op het blijkens het besluit van 27 mei 2009 ontstane recht op WW-uitkering en aldus die uitkering herzien. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het herzienings- en terugvorderingsbesluit en de overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2592 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 maart 2011, 10/8414 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 juni 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2012. Appellant is verschenen.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het besluit van het Uwv van 21 oktober 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Het Uwv heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) vanaf 27 april 2009 herzien en teruggevorderd moet worden aangezien appellant heeft opgegeven dat hij per 23 april 2009 voor een wisselend aantal uren is gaan werken en dat bij de uitbetaling van de WW-uitkering met deze werkzaamheden geen rekening is gehouden. Over de periode van 27 april 2009 tot en met 19 juli 2009 heeft appellant 448 uur gewerkt. Daardoor heeft appellant in die periode een bedrag van € 4.070,37 te veel aan WW-uitkering ontvangen. Over de periode 20 juli 2009 tot en met 26 juli 2009 en de periode 24 augustus 2009 tot en met 6 september 2009 heeft appellant 78 uur gewerkt. Appellant heeft over deze perioden niet het juiste aantal gewerkte uren opgegeven, waardoor appellant een bedrag van € 24,45 tegoed heeft. Daarmee resteert een terug te vorderen bedrag van € 4.045,92 bruto, aldus het Uwv.

3. De rechtbank heeft appellants beroepsgrond verworpen inhoudend dat het Uwv bij de herziening en bij de berekening van de terugvordering is uitgegaan van een te laag dagloon en een te laag gemiddeld aantal werkuren per week. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aan appellant bij besluit van 27 mei 2009 per 23 april 2009 een WW-uitkering is toegekend, berekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren en een bepaald dagloon. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij tegen dat besluit bezwaar heeft gemaakt, maar daarvan is de rechtbank niet gebleken. Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden. De rechtbank is derhalve uitgegaan van de juistheid van het toekenningsbesluit van 27 mei 2009.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant over de periode van 27 april 2009 tot met 19 juli 2009 448 uur heeft gewerkt en over de periode 20 juli 2009 tot en met 26 juli 2009 en de periode 24 augustus 2009 tot en met 6 september 2009 78 uur heeft gewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv dan ook, toepassing gevend aan artikel 22a, eerste lid, onder a, van de WW, terecht de WW-uitkering van appellant over voornoemde perioden herzien en met hantering van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 36, eerste lid, van de WW teruggevorderd tot het bedrag van € 4.045,92. De rechtbank heeft overwogen dat er geen grond is om het terugvorderingsbedrag zoals het Uwv dit heeft berekend voor onjuist te houden. Voor het aannemen van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van herziening en/of terugvordering af te zien, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien nu niet is gebleken van onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor appellant.

4. Appellant heeft in hoger beroep gelijke gronden aangevoerd als hij heeft gedaan in eerste aanleg.

5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

5.1. Appellant heeft ook in hoger beroep zijn argumenten geconcentreerd rond de stelling dat het toekenningsbesluit van 27 mei 2009 onjuist is. Dat besluit als zodanig kan in de onderhavige procedure echter niet als onderwerp van geschil tussen partijen aan de orde komen. Niet gebleken is dat appellant tegen dat besluit rechtsmiddelen heeft aangewend, dus heeft de rechtbank dat besluit terecht als een onaantastbaar gegeven beschouwd.

5.2. Uitgaande daarvan moest het Uwv de door appellant gewerkte uren in mindering brengen op het blijkens het besluit van 27 mei 2009 ontstane recht op WW-uitkering en aldus die uitkering herzien. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het herzienings- en terugvorderingsbesluit en de overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen.

5.3. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding om een der partijen te verwijzen in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2012.

(get.) T. Hoogenboom

(get.) G.J. van Gendt

TM