Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9125

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
10/4848 CSV-T + 10/4849 CSV-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Correctiebesluit. Boetebesluit. Minder loon in de loonadministratie verantwoord dan aan de hand van de gefactureerde uren aannemelijk is. Geen schending hoorverplichting. Wat betreft de tenaamstelling van het correctie- en het boetebesluit laat de Raad in het midden de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat in dit geval sprake is van een overgang van onderneming op appellante. Zo al zou moeten worden aangenomen dat ook in dit geval sprake is van een dergelijke overgang, heeft deze alleen, gelet op het samenstel van de artikelen 7:662 en 7:663 van het Burgerlijk Wetboek, betrekking op de rechten en verplichtingen die op het tijdstip van overgang voor de werkgever voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en de in die onderneming werkzame werknemer. Op deze rechtsfiguur kan derhalve, gelet ook op de uitspraak van de Raad van 4 december 2003 (LJN AN9802), niet mede worden gegrondvest het op basis van de CSV ten laste van appellante brengen van de in geding zijnde correctienota over het jaar 2003. Deze correctienota betreft de in dat jaar door [N.] geëxploiteerde eenmanszaak. Voor zover zou moeten worden aangenomen, dat in dit geval in de besluiten, gelet ook op de uitspraak van de Raad van 11 januari 2007 (LJN AZ7199), de tenaamstelling van het boete- en correctiebesluit mede moet worden geacht te zijn gegrond op het oordeel dat sprake is van een vereenzelviging van appellante met de voorheen bestaande eenmanszaak, overweegt de Raad dat daarvoor in het bestreden besluit een draagkrachtige motivering ontbreekt. De Raad wijst in dit verband op de uitspraak van de Hoge Raad van onder andere 13 oktober 2000 (LJN AA7480), waaruit, wat betreft het doorbreken van aansprakelijkheid voor vorderingen als de onderhavige in het burgerlijk recht, een terughoudende opstelling spreekt. De Raad vermag, zonder nadere toelichting welke ontbreekt, vooralsnog niet in te zien dat, waar het in de zaak waarop deze uitspraak van de Hoge Raad betrekking heeft, ging om belastingschulden, ten aanzien van de aansprakelijkheid voor premieschulden in het kader van de toepassing van de CVS daarover anders zou moeten worden geoordeeld. Onvoldoende draagkrachtige motivering. De Raad draagt het Uwv op het gebrek in de besluiten te herstellen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4848 CSV-T

10/4849 CSV-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 juli 2010, 08/3627 en 08/7185 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O. Huisman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op een zitting van de Raad van 20 april 2012. Partijen - het Uwv met bericht - zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Appellante exploiteert sinds haar akte van oprichting van 30 januari 2004 een schoonmaakbedrijf. Voordien werd deze onderneming volgens de in het dossier aanwezige gegevens uit het handelsregister sinds 13 juli 1999 onder de handelsnaam [handelsnaam] als eenmanszaak gedreven door [N.], die vanaf 30 januari 2004 ook één van de twee bestuurders van appellante is.

2.1. De belastingdienst, kantoor Den Haag, heeft een boekenonderzoek bij appellante gehouden dat heeft geleid tot een rapport van 22 oktober 2007. Hierin is op blz. 8 vermeld dat appellante over onder andere het jaar 2003 minder loon in de loonadministratie heeft verantwoord dan aan de hand van de gefactureerde uren aannemelijk is. Voorts is aan een aantal werknemers een vast bedrag als vergoeding voor reiskosten onbelast uitbetaald terwijl volgens de administratie die kosten reeds op declaratiebasis werden vergoed. In een rapport van 7 januari 2008 heeft een functionaris van het Uwv de conclusies van het boekenonderzoek overgenomen en op basis daarvan correcties voor de premielonen over het jaar 2003 berekend.

2.2. De in overweging 2.1 vermelde rapporten hebben het Uwv geleid tot het besluit van 22 februari 2008 waarbij het Uwv in de vorm van een op naam van appellante gestelde correctienota ambtshalve het alsnog door haar verschuldigde bedrag aan premie werknemersverzekeringen over 2003 heeft vastgesteld op € 70.297,47 (correctiebesluit). Voorts is appellante in verband met het correctiebesluit bij besluit van 10 juni 2009, na een kennisgeving van het voornemen van boeteoplegging op 18 april 2008, over het jaar 2003 een boete opgelegd van € 26.361,- (boetebesluit).

3.1. Bij besluit van 8 april 2008 (besluit 1) heeft het Uwv het door appellante tegen het correctiebesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In besluit 1 heeft het Uwv, naast zijn inhoudelijke overwegingen, ten aanzien van de hoorzitting gesteld dat, nu appellante niet uitdrukkelijk had aangegeven dat zij een hoorzitting wenste, geen hoorzitting is gehouden.

3.2. Bij besluit van 2 september 2008 (besluit 2) heeft het Uwv het door appellante tegen het boetebesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In besluit 2 heeft het Uwv, naast zijn inhoudelijke overwegingen over het bezwaar tegen de boete, gesteld dat appellante geen gebruik heeft gemaakt van de uitnodiging van 7 augustus 2008 voor de op 28 augustus 2008 te houden hoorzitting.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellante tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

4.2. Wat betreft de hoorzittingen heeft de rechtbank inzake besluit 1 - onder verwijzing naar de toepasselijkheid daarop, in afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van artikel 18a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), zoals deze wet destijds gold - het standpunt van het Uwv onderschreven. Hetzelfde deed de rechtbank ten aanzien van de weigering van het Uwv bij de voorbereiding van besluit 2 verder uitstel voor het bijwonen van de hoorzitting te geven met als conclusie dat van schending van de hoorverplichting op grond van artikel 7:2 van de Awb niet kon worden gesproken.

4.3. De rechtbank overwoog voorts over besluit 1 het volgende:

“Eiseres betwist om te beginnen dat zij kan worden aangesproken voor de schulden van [N.], een eenmanszaak die niet meer bestaat. Blijkens het handelsregister is eiseres eerst op 1 januari 2004 opgericht. De correctienota heeft betrekking op het jaar 2003, vóór de oprichting van eiseres. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze beroepsgrond dat verweerder op goede gronden is uitgegaan van een feitelijke overgang van onderneming. Het personeel van de eenmanszaak is door eiseres overgenomen en ook de grote klanten zijn meegegaan. Bovendien heeft eiseres zelf, zo blijkt uit het door directeur [N.] ingevulde vragenformulier van 2 september 2004, aan verweerder meegedeeld dat zij personeel en de baten en lasten heeft overgenomen. Verweerder heeft derhalve terecht het aansluitnummer van de eenmanszaak op de B.V. omgezet door middel van een zogeheten omzetting met overboeking. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank geen beletsel aanwezig voor verweerder om eiseres aansprakelijk te stellen voor de verschuldigde premie van de niet meer bestaande eenmanszaak [N.].”

4.4. De rechtbank onderschreef ten slotte de overwegingen in besluit 2 over het boetebesluit.

5. In hoger beroep heeft appellante de in eerdere fasen van de procedures voorgedragen gronden en argumenten tegen de correcties op de premievaststelling over 2003 en de in verband daarmee opgelegde boete over dat jaar in essentie herhaald. Deze gronden betreffen de gang van zaken betreffende de hoorzitting over en de tenaamstelling van het correctie- en het boetebesluit, de door de belastingdienst inmiddels erkende onjuistheid van de conclusies van het boekenonderzoek ten aanzien van de loonadministratie, de conclusie van het boekenonderzoek over de reiskosten, en ten slotte de boeteoplegging.

6. Het Uwv heeft in het verweerschrift zijn standpunt over de in overweging 5 samengevat weergegeven gronden en argumenten van appellante uiteengezet en heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

7.1. Wat betreft de hoorzitting voorafgaand aan besluit 1 en besluit 2 onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van besluit 2 wijst de Raad erop dat het Uwv bij brief van 7 augustus 2008, wegens verhindering van de gemachtigde van appellante en diens kantoorgenoten voor de aanvankelijk geplande datum van 14 augustus 2008, uitstel heeft verleend en de nadere datum van de hoorzitting, te houden ten kantore van het Uwv in Amsterdam, heeft bepaald op 28 augustus 2008. Bij brief van 8 augustus 2008 heeft de gemachtigde meegedeeld dat hij op 28 augustus 2008 verhinderd was maar dat een kantoorgenoot de hoorzitting op die dag kon bijwonen als deze in Den Haag wordt gehouden. Het Uwv liet op 11 augustus 2008 de gemachtigde weten dat verplaatsing van de hoorzitting naar Den Haag niet mogelijk was. Hierop is, afgaande op de stukken, van de zijde van appellante niet meer gereageerd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, nu destijds niet was gebleken van een dringende reden waarom de kantoorgenoot op 28 augustus 2008 niet naar Amsterdam kon afreizen, niet kan worden gesproken van een schending van de hoorverplichting van artikel 7:2 van de Awb. Dat de gemachtigde van appellante in hoger beroep de eerst ter zitting van de rechtbank van 2 juli 2010 gegeven verklaring voor de onmogelijkheid voor de kantoorgenoot op 28 augustus 2008 een hoorzitting in Amsterdam bij te wonen wegens het in gedrang komen van een andere afspraak heeft herhaald, doet hieraan niet af. Immers een reden van verhindering is na de brief van het Uwv van 11 augustus 2008 en voor de hoorzitting niet al aan het Uwv kenbaar gemaakt.

7.2. Wat betreft de tenaamstelling van het correctie- en het boetebesluit laat de Raad in het midden de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat in dit geval sprake is van een overgang van onderneming op appellante. Zo al zou moeten worden aangenomen dat ook in dit geval sprake is van een dergelijke overgang, heeft deze alleen, gelet op het samenstel van de artikelen 7:662 en 7:663 van het Burgerlijk Wetboek, betrekking op de rechten en verplichtingen die op het tijdstip van overgang voor de werkgever voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en de in die onderneming werkzame werknemer. Op deze rechtsfiguur kan derhalve, gelet ook op de uitspraak van de Raad van 4 december 2003

(LJN AN9802), niet mede worden gegrondvest het op basis van de CSV ten laste van appellante brengen van de in geding zijnde correctienota over het jaar 2003. Deze correctienota betreft immers, zoals ook in overweging 1 is vermeld, de in dat jaar door [N.] geëxploiteerde eenmanszaak.

7.3. Voor zover zou moeten worden aangenomen, dat in dit geval in de besluiten 1 en 2, gelet ook op de uitspraak van de Raad van 11 januari 2007 (LJN AZ7199), de tenaamstelling van het boete- en correctiebesluit mede moet worden geacht te zijn gegrond op het oordeel dat sprake is van een vereenzelviging van appellante met de voorheen bestaande eenmanszaak, overweegt de Raad dat daarvoor in het bestreden besluit een draagkrachtige motivering ontbreekt. De Raad wijst in dit verband op de uitspraak van de Hoge Raad van onder andere 13 oktober 2000 (LJN AA7480), waaruit, wat betreft het doorbreken van aansprakelijkheid voor vorderingen als de onderhavige in het burgerlijk recht, een terughoudende opstelling spreekt. De Raad vermag, zonder nadere toelichting welke ontbreekt, vooralsnog niet in te zien dat, waar het in de zaak waarop deze uitspraak van de Hoge Raad betrekking heeft, ging om belastingschulden, ten aanzien van de aansprakelijkheid voor premieschulden in het kader van de toepassing van de CVS daarover anders zou moeten worden geoordeeld.

7.4. De overwegingen 7.2 en 7.3 leiden de Raad tot de slotsom dat besluit 1 en in verband daarmee de daaruit voorvloeiende boeteoplegging op grond van besluit 2 onvoldoende draagkrachtig zijn gemotiveerd, zodat deze besluiten, zoals zij thans luiden, voor vernietiging in aanmerking komen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

7.5. Met het oog op een definitieve beslechting van het onderhavige geschil acht de Raad het aangewezen het Uwv op te dragen het gebrek in de besluiten 1 en 2 te herstellen. Het Uwv dient daartoe andermaal te besluiten op de bezwaren van appellante tegen de in geding zijnde correctie- en boetebesluiten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in de besluiten 1 en 2 te herstellen met inachtneming van de overwegingen van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. de Lange als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2012.

(getekend) J.W. Schuttel.

(getekend) Z. Karekezi.

KR