Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9106

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
11/4483 AKW + 11/4484 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaren niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. In de door en namens appellant aangevoerde omstandigheden wordt met de rechtbank geen reden gezien om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. Daartoe is met name van belang dat het dossier geen objectieve (medische) gegevens bevat, die het standpunt van appellant ondersteunen dat hij gedurende de beroepstermijn niet in staat was zelf een beroepschrift in te dienen of te laten indienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4483 AKW en 11/4484 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Dordrecht van 17 juni 2011, 10/935 (aangevallen uitspraak 1) en 10/1412 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant], te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 8 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Ben-Saddek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2012. Appellant is daarbij verschenen, bijgestaan door mr. Ben-Saddek. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant woont in Nederland en heeft kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen voor zijn kinderen [A.], geboren [in] 2000, [Z.], geboren [in] 2001 en [B.], geboren [in] 2007.

1.2. Bij besluit van 30 november 2009 heeft de Svb geweigerd om kinderbijslag aan appellant toe te kennen voor [B.] vanaf het derde kwartaal van 2008, omdat [B.] bij de andere ouder woont en appellant niet heeft aangetoond dat hij voldoende heeft bijgedragen in het levensonderhoud van [B.].

1.3. Bij besluit van 30 november 2009 heeft de Svb vanaf het tweede kwartaal van 2009 ook geweigerd kinderbijslag aan appellant toe te kennen voor [A.] en [Z.], omdat zij niet meer bij appellant wonen en appellant onvoldoende heeft bijgedragen in hun levensonderhoud.

1.4. Bij besluit van 12 januari 2010 heeft de Svb de voor [B.] ten onrechte betaalde kinderbijslag over het derde kwartaal van 2008 tot en met het eerste kwartaal van 2009 ad € 582,45 teruggevorderd. Tevens heeft de Svb appellant een boete opgelegd van € 60,-.

1.5. Bij brief van 7 april 2010 heeft appellant geprotesteerd tegen de terugvordering van de te veel betaalde kinderbijslag voor [B.]. Vervolgens heeft appellant bij brief van 12 mei 2010 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 november 2009 met betrekking tot de aanspraak op kinderbijslag voor [A.] en [Z.].

1.6. Bij beslissing op bezwaar van 23 juni 2010 (besluit 1) heeft de Svb het bezwaar van appellant van 12 mei 2010 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

1.7. Bij brief van 23 juli 2010 is namens appellant verzocht om herziening van het besluit van 12 januari 2010 tot terugvordering van de te veel betaalde kinderbijslag en oplegging van een boete.

1.8. Bij besluit van 28 juli 2010 heeft de Svb geweigerd om terug te komen van het besluit van 12 januari 2010.

1.9. Naar aanleiding van het namens appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 28 juli 2010 heeft de Svb bij besluit op bezwaar van 25 oktober 2010 (besluit 2) besloten het besluit van 12 januari 2010 niet te herzien, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder heeft de Svb het bezwaar, voor zover het is gericht tegen het besluit van 30 november 2009 ten aanzien van [B.], niet-ontvankelijk verklaard.

2.1. De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daartoe is ten aanzien van besluit 1 overwogen dat niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding.

2.2. Besluit 2 heeft de rechtbank aangemerkt als een besluit van de Svb op de als bezwaarschrift aan te merken brief van appellant van 7 april 2010 met betrekking tot de aanspraak op kinderbijslag voor [B.]. Dit bezwaar is volgens de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is te achten.

3. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank in beide uitspraken heeft miskend dat appellant wegens zijn psychische klachten in een zodanige situatie verkeerde dat het niet tijdig bezwaar maken tegen de twee besluiten van 30 november 2009 en het besluit van 12 januari 2010 verschoonbaar moet worden geacht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is, zoals ter zitting is besproken, in hoger beroep slechts in geschil of de rechtbank in de aangevallen uitspraken terecht het oordeel van de Svb in de besluiten 1 en 2 heeft onderschreven ten aanzien van de ontvankelijkheid van de bezwaren tegen de twee besluiten van 30 november 2009 en het besluit van 12 januari 2009.

4.2. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de door appellant op 7 april 2010 en 12 mei 2010 ingediende bezwaarschriften tegen de twee besluiten van 30 november 2009 en het besluit van 12 januari 2010 niet zijn ingediend binnen de daartoe gestelde wettelijke termijnen.

4.4. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In de door en namens appellant aangevoerde omstandigheden wordt met de rechtbank geen reden gezien om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. Daartoe is met name van belang dat het dossier geen objectieve (medische) gegevens bevat, die het standpunt van appellant ondersteunen dat hij gedurende de beroepstermijn niet in staat was zelf een beroepschrift in te dienen of te laten indienen. Uit de namens appellant overgelegde brief van 12 maart 2010, van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en een psychiater van de instelling voor interculturele psychiatrie I-psy Rotterdam, blijkt evenmin dat er sprake was van een ernstig invaliderende psychiatrische stoornis, waardoor appellant niet in staat was zijn belangen te (doen) behartigen. Door of namens appellant zijn in hoger beroep geen medische of andere gegevens overgelegd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

4.5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen en de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komen.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2012.

(get.) T.L. de Vries

(get.) G.J. van Gendt

TM