Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9095

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
11-4383 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van twee in rechte vaststaande besluiten. Er is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4383 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 juni 2011, 10/2221 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.W.C. Bonnet, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bonnet. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruijs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als visfileerder voor 40 uur bij week bij [werkgever]. Op 17 mei 2007 is appellant werkloos geworden. Vanaf die datum ontvangt hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 10 juli 2007 heeft appellant zich ziek gemeld met psychische klachten en is hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 10 februari 2009 is appellant met ingang van 16 februari 2009 geschikt geacht voor zijn arbeid als visfileerder en is hem, met ingang van die datum, verdere uitkering op grond van de ZW ontzegd. Het bezwaar van appellant tegen dat besluit heeft het Uwv bij besluit van 4 september 2009 ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 19 februari 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. Bij brief van 19 maart 2010 heeft appellant het Uwv verzocht hem alsnog met ingang van 16 februari 2010 in aanmerking te laten komen voor een ZW-uitkering. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft appellant een rapport van psychiater F. Kaya van 10 februari 2010 overgelegd. Het Uwv heeft dit verzoek opgevat als een verzoek om terug te komen van de in rechte vaststaande besluiten van 10 februari 2009 en 4 september 2009.

1.3. Bij besluit van 10 mei 2010 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Het bezwaar tegen dat besluit heeft het Uwv bij besluit van 19 november 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Volgens het Uwv bevat het rapport van psychiater Kaya geen nieuwe medische feiten of omstandigheden.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat het rapport van psychiater Kaya nieuwe medische gegevens bevat en dat deze informatie van zodanige aard is dat deze aanleiding geven hem alsnog vanaf 16 februari 2009 in aanmerking te laten komen voor een ZW-uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het Uwv heeft het verzoek van appellant terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van de in rechte vaststaande besluiten van 10 februari 2009 en 4 september 2009.

4.2. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

4.3. Vaste rechtspraak van de Raad is, dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in art. 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk een geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.4. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn verzoek een rapport van psychiater Kaya van 10 februari 2010 overgelegd. In dit rapport heeft deze psychiater geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een depressieve stoornis, ernstig matig, recidiverend, een posttraumatische stressstoornis, chronisch en een somatoforme stoornis. Appellant heeft bovendien een audiologische handicap (doofstom) en is zwakbegaafd. Psychiater Kaya is van mening dat de arbeidsmogelijkheden van appellant te optimistisch zijn ingeschat en dat arbeidshervatting op dit moment is af te raden.

4.5. Dit rapport bevat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Met betrekking tot de datum in geding bevat het rapport geen andere medische informatie dan die welke reeds bekend was uit de voorhanden medische gegevens. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat het rapport van psychiater Kaya de actuele situatie (begin 2010) beschrijft en niet de medische toestand van appellant in februari 2009.

4.6. Het hoger beroep kan daarom niet slagen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012.

(get.) H.G. Rottier

(get.) G.J. van Gendt

TM