Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW9091

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
10-3612 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek vergoeding inkomensschade. Het Uwv heeft in het eerste jaar na toekenning van de WAO-uitkering in 2002 driemaal de mate van arbeidsongeschiktheid beoordeeld en de uitkering verlaagd. Met deze herbeoordelingen is voldaan aan de verplichting van artikel 36, tweede lid, van de WAO. Het Uwv heeft na deze herbeoordelingen in 2004 nog een herbeoordeling uitgevoerd die hij, zoals blijkt uit aanduidingen in onder meer een aan betrokkene toegezonden vragenlijst, in het onderzoekskader van een verzekeringsgeneeskundige rapportage en in een daarop volgend besluit heeft benoemd als een eerstejaarsherbeoordeling. Dat deze herbeoordeling meer dan een jaar na toekenning van de WAO-uitkering aan betrokkene heeft plaatsgevonden kan evenwel niet tot het oordeel leiden dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene te laat, namelijk buiten de door de wetgever gestelde termijn, opnieuw heeft bezien. Van de in 2002 en 2004 genomen herzieningsbesluiten staat de rechtmatigheid vast. De door betrokkene gestelde inkomensschade is niet het gevolg van een onrechtmatig besluit of van het niet tijdig nemen van een besluit. Betrokkene heeft geen recht op vergoeding door appellant van deze schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3612 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 mei 2010, 08/5793 en 09/1747 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 20 juni 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M. Huisman, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant en betrokkene hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Huisman.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft bij brief van 18 oktober 2007 bij appellant een verzoek om schadevergoeding ingediend. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij schade heeft geleden doordat appellant de zogenoemde eerstejaarsherbeoordeling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te laat heeft verricht. De verhoging van zijn WAO-uitkering als gevolg van de herbeoordeling is ingegaan toen de arbeidsovereenkomst met zijn werkgever al was geëindigd en heeft om die reden niet kunnen doorwerken in de vaststelling van de uitkering uit hoofde van een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering.

1.2. Bij besluit van 3 juni 2008 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat geen aanleiding bestaat om de gestelde inkomensschade te vergoeden. Volgens appellant zou de mate van arbeidsongeschiktheid niet zijn verhoogd als de eerstejaarsherbeoordeling zou hebben plaatsgevonden toen betrokkene nog in dienst was van zijn werkgever.

1.3. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit heeft appellant bij besluit van 6 november 2008 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en overwogen dat appellant een nieuwe beslissing moet nemen op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 3 juni 2008. Volgens de rechtbank heeft appellant miskend dat, indien de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene zou zijn beoordeeld op een moment dat betrokkene voorafgaande aan de beëindiging van het dienstverband feitelijk al niet meer werkzaam was, de verhoging van de WAO-uitkering per die datum zou zijn ingegaan. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat een causaal verband tussen de late herbeoordeling en de gestelde schade ontbreekt. Volgens appellant is van belang dat betrokkene appellant niet heeft verzocht om een herbeoordeling op arbeidskundige gronden wegens het wegvallen van verdiensten. Betrokkene heeft in door hem gevoerde procedures tegen een besluit van 16 november 2004, waarbij de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van 15 januari 2004 is verhoogd, al - tevergeefs - naar voren gebracht dat de verhoging van de mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% naar 65 tot 80% een eerdere ingangsdatum had moeten hebben. De door betrokkene gestelde schade is niet terug te voeren op een onrechtmatig besluit.

3.2. Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit met dien verstande dat in zijn visie een opdracht aan het appellant om opnieuw te beslissen op zijn bezwaar achterwege kan blijven en de Raad de zaak zelf zou kunnen afdoen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 36 van de WAO luidde ten tijde in deze procedure van belang als volgt:

1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer degene, aan wie zij is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.

2. Onverminderd het in deze wet ter zake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde, dient binnen een jaar na ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet zijnde een voortzetting als bedoeld in artikel 34, derde lid, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te worden bezien of er gronden aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, onder goedkeuring van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden, die afwijkt van de in het tweede lid genoemde termijn.

4. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 37 tot en met 40.

4.2. Aan betrokkene is met ingang 4 maart 2002 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Binnen een jaar na toekenning van deze uitkering is zijn mate van arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld op 20 maart 2002, 14 mei 2002 en 20 november 2002. De beoordelingen hebben geresulteerd in besluiten van 28 maart 2002, 5 augustus 2002 en 20 december 2002 waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is verlaagd van 80 tot 100% naar 65 tot 80%, van 65 tot 80% naar 55 tot 65% en van 55 tot 65% naar 25 tot 35%.

4.3. Appellant heeft met deze herbeoordelingen voldaan aan zijn uit artikel 36, tweede lid, van de WAO voortvloeiende verplichting om binnen een jaar na 4 maart 2002 te bezien of er gronden aanwezig waren voor herziening of intrekking van de uitkering van betrokkene.

4.4. Appellant heeft na deze herbeoordelingen in 2002 nog een herbeoordeling uitgevoerd die hij, zoals blijkt uit aanduidingen in onder meer een aan betrokkene toegezonden en door hem op 7 juli 2003 ingevulde vragenlijst, in het onderzoekskader van een verzekeringsgeneeskundige rapportage van 31 oktober 2003 en een daarop volgend besluit van 24 februari 2004 heeft benoemd als een eerstejaarsherbeoordeling. Dat deze laatste herbeoordeling meer dan een jaar na toekenning van de WAO-uitkering aan betrokkene heeft plaatsgevonden kan evenwel niet tot het oordeel leiden dat appellant de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene te laat, namelijk buiten de door de wetgever in artikel 26, tweede lid, van de WAO gestelde termijn, opnieuw heeft bezien.

4.5. De rechtmatigheid staat vast van de in 4.2 genoemde besluiten, waartegen betrokkene niet is opgekomen, en van het besluit van 16 november 2004, waarbij het appellant heeft beslist op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 februari 2004. De door betrokkene gestelde inkomensschade is niet het gevolg van een onrechtmatig besluit of van het niet tijdig nemen van een besluit. Betrokkene heeft geen recht op vergoeding door appellant van deze schade. Appellant heeft het verzoek van betrokkene terecht afgewezen. Het hoger beroep slaagt.

4.6. Nu door appellant niet is betwist dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet was voorzien van een deugdelijke motivering, wordt de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - bevestigd en zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

5. Er is aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. De kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand en op € 13,76 aan reiskosten, in totaal € 887,76.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 6 november 2008 in stand blijven;

-veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van

€ 887,76.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) E. Heemsbergen.

ew