Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
10/661 WMO-T + 10/4076 WMO-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. 1) Vaststelling omvang hulp bij het huishouden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken dat de aan appellante toegekende voorziening in de vorm van huishoudelijke hulp naar een omvang van 6,9 uur per week onvoldoende is. 2) Het pgb voor hulp bij het huishouden wordt vastgesteld op 75% van de kosten van hulp in natura. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is een nieuw besluit genomen waarin het pgb is vastgesteld op 100% van hiervoor bedoelde kosten. Over de periode van 9 mei 2012 tot en met 22 november 2012 bestaan geen gegevens op grond waarvan vastgesteld kan worden of appellante in staat is voor hetzelfde tarief de benodigde huishoudelijke hulp in te kopen. Voor wat betreft deze periode ontbreekt een deugdelijke motivering. De Raad draagt het college op om het gebrek in het besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/661 WMO-T

10/4076 WMO-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 december 2009, 08/1587 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf (college)

Datum uitspraak 20 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.E. Crone hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en op 29 juni 2010 een nader besluit genomen.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Crone. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door L.H.J.F. Schlenter.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanwege haar beperkingen ingevolge de Algemene Wet Bijzonder Ziektekosten (AWBZ) huishoudelijke verzorging in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor 4 tot 6,9 uur per week.

1.2. Ter voortzetting van de ingevolge de AWBZ verleende zorg heeft het college bij besluit van 3 december 2007 appellante in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) naar een omvang van 5 uur per week voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 22 november 2012. Het pgb voor hulp bij het huishouden wordt vastgesteld op 75% van de kosten van hulp in natura.

1.3. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 december 2007 heeft de GGD-arts F. Poettgens op 23 juli 2008 een medisch advies uitgebracht. Het advies is gebaseerd op dossierstudie, spreekuurcontact en telefonisch overleg met de huisarts van appellante. Tevens heeft deze arts kennis genomen van de in bezwaar door appellante overgelegde medische gegevens. De conclusie van Poettgens is dat appellante in verband met haar uitgebreide beperkingen gecompenseerd dient te worden voor zwaar huishoudelijk werk, licht huishoudelijk werk en het wassen en strijken. Vanwege haar allergie dient appellante in een zo stofarm mogelijke omgeving te verblijven en moet rekening gehouden worden met meer wasgoed en strijkwerk.

1.4. Het college heeft bij besluit van 12 augustus 2008 (bestreden besluit) met overneming van het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften gemeente Landgraaf het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 december 2007 gegrond verklaard, in die zin dat appellante in aanmerking wordt gebracht voor huishoudelijke hulp naar een omvang van 6,9 uur. De extra 1,9 huishoudelijke hulp is toegekend in verband met hetgeen in het medisch-advies is vastgesteld omtrent de extra schoonmaakwerkzaamheden en het extra was- en strijkgoed in verband met de allergieklachten van appellante.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van de uitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten om te oordelen dat appellante met het aantal toegekende uren huishoudelijke hulp onvoldoende is gecompenseerd. De rechtbank heeft verder overwogen dat de grond met betrekking tot de hoogte van het pgb wel doel treft. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 november 2009, LJN BK4603, heeft de rechtbank geoordeeld dat nu het voor appellante vastgestelde tarief is vastgesteld op 75% van de door de gemeente gecontracteerde hulp bij het huishouden, dit besluit op een ondeugdelijke motivering berust, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat het college bij de vaststelling van de omvang van de hulp bij het huishouden in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met de bij haar aanwezige (uitzonderlijke) klachten

4. Op 29 juni 2010 heeft het college, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, een nieuw besluit genomen. Daarbij heeft het college met overneming van het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften gemeente Landgraaf het bezwaar ten aanzien van de hoogte van het pgb ongegrond verklaard. Het college onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in beginsel een pgb verstrekt dient te worden dat vergelijkbaar is met 100% van de (tegenwaarde van) gecontracteerde zorg in natura maar uit de door appellante afgelegde rekening en verantwoording over de kalenderjaren 2008 en 2009 blijkt dat appellante met de feitelijk verkregen middelen in staat is gesteld de benodigde hulp in te kopen en niet is gebleken dat zij minder uren heeft kunnen inkopen als gevolg van het haar toegekende lagere tarief.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak

5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken dat de aan appellante toegekende voorziening in de vorm van huishoudelijke hulp naar een omvang van 6,9 uur per week onvoldoende is. Uit de voorhanden zijnde medische informatie blijkt niet dat appellante zodanige beperkingen heeft dat zij is aangewezen op meer dan het door het college toegekende aantal uren huishoudelijke hulp per week. Appellante heeft geen contra-expertise overgelegd waaruit dit kan worden afgeleid. De door appellante in hoger beroep ingediende medische stukken kunnen hiertoe niet dienen. Uit verklaringen van de behandelend allergoloog van 14 juni 2010 en van een medewerker van Adapt ergotherapie & logopodie van 26 maart 2010 blijkt dat appellante door haar aandoeningen is aangewezen op extra schoonmaakwerkzaamheden en extra hulp bij het wassen en strijken maar niet dat appellante met de ten behoeve van deze werkzaamheden extra toegekende 1,9 uur huishoudelijke hulp onvoldoende gecompenseerd is.

Het besluit van 29 juni 2010

5.2. Het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 29 juni 2010 wordt als een besluit in de zin van 6:18 van de Awb aangemerkt. Nu met dit besluit niet is tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellante dient gelet op artikel 6:19 van de Awb, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, dit besluit mede in de beoordeling te worden betrokken.

5.3. Vastgesteld wordt dat uit de door appellante overgelegde verantwoordingsformulieren over de kalenderjaren 2008 en 2009 blijkt dat appellante met het haar toegekende pgb over deze jaren in staat is geweest om de benodigde huishoudelijke hulp in te kopen. Door appellante is niet gesteld dat de door haar ingekochte huishoudelijke hulp niet van vergelijkbare kwaliteit is ten opzichte van de door de gemeente gecontracteerde zorg. Ter zitting heeft appellante verklaard dat zij tot op heden in staat is geweest voor het haar toegekende tarief huishoudelijke hulp in te kopen. Zij stelt echter tevens - indien dit nodig mocht zijn - voor het toegekende uurbedrag geen vervangende huishoudelijke hulp te kunnen inhuren.

5.4. Het voorgaande betekent dat tot 9 mei 2012 appellante met de toegekende voorziening in staat is geweest huishoudelijke hulp in te kopen van vergelijkbare kwaliteit ten opzichte van de door de gemeente gecontracteerde zorg. In zoverre berust het besluit van 29 juni 2010 op een juiste grondslag. Dit ligt echter anders voor de resterende periode van 9 mei 2012 tot en met 22 november 2012. Over deze periode bestaan immers geen gegevens op grond waarvan vastgesteld kan worden of appellante in staat is voor hetzelfde tarief de benodigde huishoudelijke hulp in te kopen. Voor wat betreft deze periode ontbreekt aan het besluit van 29 juni 2010 dan ook een deugdelijke motivering.

5.5. Uit hetgeen in 5.4 is overwogen volgt dat het beroep gegrond is en het besluit van 29 juni 2010 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg hij aan deze uitkomst moet geven. In dit geval bestaat geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. Het college wordt daarom opgedragen om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het gebrek in het besluit van 29 juni 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in het besluit van 29 juni 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwegen.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) R. Scheffer.

HD