Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8940

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
11-3152 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek appellant na afloop van zijn aanstelling voor bepaalde tijd in aanmerking te brengen voor een FPS aanstelling fase 2. De minister wordt niet gevolgd in zijn stelling dat appellant geen procesbelang meer heeft, nu hij geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het hem gegeven ontslag. Een ander oordeel zou afbreuk doen aan de aan appellant toekomende rechtsbescherming. Het door de minister gestelde gebrek aan formatieve ruimte binnen de functiegroep Chauffeurs acht de Raad niet onaannemelijk, gelet op hetgeen de minister op dit punt heeft aangevoerd. Van een gehoudenheid van de minister om appellants verzoek defensiebreed te bezien, was geen sprake. Geen strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur.

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3152 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 april 2011, 10/8724 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak 14 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C. van Kins. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Groenewoud-Kralt en mr. G.V. Wannyn.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is met ingang van 22 augustus 2005 voor de duur van zes jaren aangesteld als militair bij het beroepspersoneel voor bepaalde tijd (BBT) van de Koninklijke Luchtmacht. Appellant was bestemd voor de functiegroep Hulp Motortransport Chauffeur.

1.2. Op 1 januari 2008 is bij Defensie het Flexibel Personeelssysteem (FPS) ingevoerd. Binnen het FPS worden drie fases onderscheiden in de loopbaan van de militair. Daarbij zijn de tot dan toe bestaande verschillen in rechtspositie tussen militairen aangesteld voor bepaalde en onbepaalde tijd (de BBT-ers en BOT-ers) niet te niet gedaan. De fasen 1 en 2 betekenen een aanstelling voor bepaalde tijd. Fase 3 geldt voor onbepaalde tijd en eindigt in beginsel bij het leeftijdsontslag van de militair. Voor militairen met een BBT-aanstelling die op 31 december 2007 in dienst waren, is in hoofdstuk 12 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) overgangsrecht opgenomen. Hierin is neergelegd dat de BBT-er ook na 1 januari 2008 zijn BBT-aanstelling behoudt en dat eervol ontslag wordt verleend vanwege het eindigen van de tijd waarvoor de aanstelling is geschied. Wel is er de mogelijkheid om de aanstelling van de BBT-er tijdens of na afloop van zijn aanstelling om te zetten in een aanstelling in één van de FPS-fasen. In de Nota van 13 december 2007 inzake Uitvoeringsaangelegenheden invoering FPS worden daarvoor de volgende criteria genoemd: a) de militair is geschikt en bekwaam voor verdere functievervulling en b) er is formatieve ruimte voorhanden.

1.3. Bij rekest van 8 maart 2010 heeft appellant verzocht hem na afloop van zijn BBT-aanstelling met ingang van 23 september (lees: augustus) 2011 in aanmerking te brengen voor een FPS aanstelling fase 2. Bij besluit van 24 juni 2010 heeft de minister dit verzoek afgewezen wegens het ontbreken van formatieve ruimte in de categorie Chauffeurs. Deze afwijzing is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 november 2010 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank achtte het door de minister gevoerde beleid met betrekking tot verzoeken van BBT-ers die hun aanstelling willen omzetten naar een FPS-aanstelling niet onredelijk. De afwijzing van appellants verzoek was in overeenstemming met dat beleid, zodat de rechtbank onvoldoende grond zag voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat verzoek af te wijzen. Voorts verwierp de rechtbank de stelling van appellant dat ter bepaling van de formatieve ruimte de volledige krijgsmacht in ogenschouw diende te worden genomen en ook andere categorieën dan chauffeurs.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad volgt de minister niet in zijn stelling dat appellant geen procesbelang meer heeft, nu hij geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het hem per 23 augustus 2011 gegeven ontslag. Een ander oordeel zou afbreuk doen aan de aan appellant toekomende rechtsbescherming. Hij heeft immers tijdig een rechtsmiddel aangewend tegen de afwijzing van zijn verzoek om een FPS-aanstelling fase 2 en deze afwijzing hangt zodanig samen met het later verleende ontslagbesluit, dat van hem niet gevergd kon worden dat hij (voor dit aspect) tegen dat ontslagbesluit nog afzonderlijk een rechtsmiddel zou aanwenden.

3.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 29 juli 2010, LJN BN3499 en TAR 2011, 79) brengt de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld mee dat het bestuursorgaan die aanstelling na afloop van de gestelde termijn niet hoeft te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. Dat is anders als er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, of het niet verlengen in strijd zou komen met ongeschreven recht.

3.3. Uitgangspunt van het in hoofdstuk 12 AMAR opgenomen overgangsrecht is dat de militair eervol ontslag wordt verleend vanwege het eindigen van de tijd waarvoor de aanstelling is geschied, zij het dat met instemming van de militair en onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden de aanstelling kan worden omgezet naar een aanstelling in FPS fase 1 of 2. De omstandigheid dat er (nog) geen ministeriële regeling is vastgesteld maakt geenszins dat van een verplichting als hier bedoeld sprake is.

3.4. Besluitvorming omtrent het al of niet verlengen van een BBT-aanstelling geschiedt aan de hand van vaste criteria, namelijk de geschiktheid van de militair en de beschikbare formatieve ruimte. Daarmee worden de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gegaan. Door de minister is verder onweersproken gesteld dat die criteria ook al werden gehanteerd vóór de invoering van het FPS, in gevallen waarin sprake was van een mogelijke overgang van een BBT-aanstelling naar een BOT-aanstelling.

3.5. Het door de minister gestelde gebrek aan formatieve ruimte binnen de functiegroep Chauffeurs acht de Raad niet onaannemelijk, gelet op hetgeen de minister op dit punt heeft aangevoerd. De Raad verwerpt de door appellant opgeworpen beroepsgrond dat de minister ten onrechte het zoekgebied voor het verlenen van een fase 2 aanstelling heeft beperkt tot de formatieruimte binnen de functiegroep Chauffeurs van de Koninklijke Luchtmacht. Weliswaar is het een kenmerk van het FPS dat de militair wordt aangesteld bij de krijgsmacht en niet meer bij een onderdeel daarvan, maar appellant had geen FPS-aanstelling. Van een gehoudenheid van de minister om appellants verzoek defensiebreed te bezien, was dan ook geen sprake. Voorts kan er niet aan voorbij worden gegaan dat er in verband met beperkte financiële middelen voor personele exploitatie in 2010 maximale personele vullinglijnen zijn opgelegd. Daarin is, om overschrijding van de opgelegde vullinglijn te vermijden, een aantal beperkende maatregelen opgenomen. Zo is onder meer bepaald dat bestaande BBT-aanstellingen niet meer worden omgezet naar een FPS-aanstelling.

3.6. Appellant heeft erop gewezen dat, in weerwil van het vorenstaande, bij andere krijgsmachtonderdelen nog wel omzettingen naar FPS fase 2 plaatsvinden en dat er bij de Luchtmacht omzettingen van fase 2 naar fase 3 hebben plaatsgevonden. Gelet hierop acht appellant het bestreden besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. De Raad onderschrijft dit niet. Dat er bij andere krijgsmachtsonderdelen, dan wel bij andere onderdelen van, respectievelijk voor andere functies bij, de Luchtmacht kennelijk wel formatieve ruimte was, wil niet zeggen dat de minister - waar die situatie zich niet voordeed - heeft gehandeld in strijd met de door appellant genoemde rechtsbeginselen.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet tot slot geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2012.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.C. Nijholt.

HD