Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8934

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
11-1003 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering toe te kennen. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanleiding de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Geen aanleiding te twijfelen aan de werkomschrijving van de bezwaararbeidsdeskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1003 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 december 2010, 10/2831 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 20 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namen appellante heeft mr. E. Yeniasci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Yeniasci. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam in een orchideeënkwekerij als stoksteker, heeft zich op

5 januari 2010 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld wegens diverse lichamelijke klachten.

1.2. Op 26 januari 2010 heeft appellante het spreekuur van de arts R.P. van Straaten bezocht, die haar na onderzoek per datum ziekmelding niet arbeidsongeschikt acht. Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het Uwv geweigerd aan appellante per 5 januari 2010 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Bij besluit van 23 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 januari 2010, onder verwijzing naar de rapportages van bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon van 16 maart 2010 en bezwaarverzekeringsarts M. Keus van 22 maart 2010, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort samengevat- geen aanleiding gezien om het medisch en arbeidskundig onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen en de bezwaararbeidsdeskundige onzorgvuldig te achten. De door appellante in beroep overgelegde informatie van de behandelend sector heeft de rechtbank geen reden gegeven te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen.

3. Appellante kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen.

Zij is - kort samengevat - van mening dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de pijnklachten van de rechterheup, de rechterknie en de linker- en rechterschouder. Deze klachten, maar ook de duizeligheidsklachten staan volgens appellante in de weg aan de uitoefening van haar werkzaamheden. Uit het journaal van de huisarts blijkt dat er objectiveerbare afwijkingen dan wel beperkingen zijn en is volgens appellante in haar geval sprake van arbeidsongeschiktheid op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten. Ter onderbouwing van haar standpunt zijn nadere medische stukken ingebracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld.

4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij zijn beoordeling de informatie van de behandelend sector, waaronder het huisartsenjournaal van 5 februari 2010 en de informatie van de KNO-artsen van 11 juni 2009 en 13 juli 2009, meegewogen. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante bij de hoorzitting gezien en lichamelijk onderzocht. Er is geen aanleiding om dit onderzoek onzorgvuldig te achten. De bezwaarverzekeringsarts stelt dat de schildklierstoornis al jaren bestaat en goed is ingesteld. Het labonderzoek, zo blijkt uit het journaal van de huisarts, laat op de datum in geding geen afwijkingen zien. De bezwaarverzekeringsarts heeft de positieduizeligheid (BPPD) van appellante alsmede de pijnklachten met functiebeperkingen die voortvloeien uit de linkerschouder afgezet tegen de belasting in het eigen werk. In het eigen werk wordt de rechterschouder belast met 600 keer per uur 50-60 centimeter reiken. De klachten van de dominante rechterschouder hebben een jaar geleden bestaan, februari 2009. Nu de rechterschouder geen klachten meer geeft en het gaat om een korte reikafstand die binnen de grijplijn ligt, acht de bezwaarverzekeringsarts het werk geschikt. De overige klachten van de rechterknie en heup, allergie, ademhalingsklachten, vermoeidheid en vergeetachtigheid zijn niet bij de huisarts bekend en ook niet geobjectiveerd. Er is geen aanleiding om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te achten.

4.3. Voorts is er geen aanleiding te twijfelen aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in de rapportage van 10 september 2010, inhoudende dat pas later tijdens een bevolkingsonderzoek op 10 maart 2010 bij appellante een afwijking (tumor) in de linkerborst is gevonden en deze in haar geval op de datum in geding, 5 januari 2010, geen arbeidsongeschiktheid kan hebben veroorzaakt. Wel kan, zo blijkt uit de brief van de huisarts van

16 oktober 2010, de operatie van 13 april 2010, waarbij de tumor is verwijderd, en de bestraling nadien de pijnklachten in de linkerschouder en arm voor een deel verklaren. Deze acute wijziging in de gezondheidstoestand van appellante is dus niet van belang voor de beoordeling van haar belastbaarheid op de datum in geding. Dat de gezondheidstoestand van appellante in april 2011 door cardiale klachten opnieuw is verslechterd, is eveneens voor dit geding niet van belang. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 23 augustus 2011 namelijk voldoende gemotiveerd aangegeven waarom de in hoger beroep overgelegde informatie van de cardioloog hem geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

4.4. Ter zitting heeft appellante nog benadrukt dat zij vanwege haar duizeligheidsklachten niet in staat is om haar arbeid te verrichten. Er is volgens appellante niet alleen sprake van duizeligheidsklachten bij positieverandering, maar ook tijdens staan. Verder heeft appellante betoogd dat zij in haar werk niet alleen moest staan, maar ook veel moest bukken en dat zij bij het reiken een kwartslag moest draaien. Voorts was sprake van een hoog tempo met snelle bewegingen. De bezwaararbeidsdeskundige Politon heeft in zijn rapport van 16 maart 2010 een uitgebreide beschrijving gegeven van de werkzaamheden die appellante, voordat zij zich per 5 januari 2010 ziekmeldde, heeft verricht bij Wooning Orchideeën B.V. Uit het onderzoek van de bezwaararbeidsdeskundige blijkt dat het ging om werk dat hoofdzakelijk staand werd verricht. Zitten was echter ook mogelijk, maar werd niet gedaan. Uit de beschrijving blijkt niet dat tijdens het werk veel gebukt moest worden, dan wel een kwartslag draaien voorkwam. De bezwaararbeidsdeskundige heeft tijdens zijn bezoek aan het bedrijf geconstateerd dat er geen sprake is van een dwingend werktempo. Er bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de werkomschrijving van de bezwaararbeidsdeskundige. Uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige blijkt verder dat appellante goed heeft gefunctioneerd, dus ook met de toen al bestaande duizeligheidsklachten, en dat de werkgever zeer tevreden was.

4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E. Heemsbergen.

CVG