Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8922

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
11-4865 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. De zwaarte en de inhoud van het eigen werk van appellant zijn toereikend gemotiveerd besproken in de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanleiding de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4865 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 juli 2011, 10/2349 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 13 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.A. Timmer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2012. Appellant is, daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. Timmer. Het Uwv heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk fulltime werkzaam als meewerkend voorman/constructieschilder via uitzendbureau Kino B.V.. Op 28 september 2009 heeft appellant zich vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving ziek gemeld met rug-, been-, en voetklachten en psychische klachten. In verband hiermee is appellant op 21 januari 2010 op het spreekuur van de verzekeringsarts geweest, die appellant per 25 januari 2010 geschikt heeft geacht voor zijn arbeid. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv appellant bij besluit van 21 januari 2010 meegedeeld dat hij met ingang van 25 januari 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in diens rapportage van 8 maart 2010 - bij besluit van 12 maart 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig dan wel de daaruit getrokken conclusies, dat appellant geschikt geacht moet worden zijn arbeid te verrichten, onjuist te achten. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd maar de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten, omdat eerst in de fase van beroep daadwerkelijk een onderzoek is verricht naar zwaarte en inhoud van het eigen werk van constructieschilder. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd en naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd besproken in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 8 februari 2011. Voor een aanvullend bedrijfsonderzoek was volgens de rechtbank geen aanleiding.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij niet in staat is zijn eigen werkzaamheden te verrichten. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij door de bijwerkingen van de medicatie niet op hoogtes kan werken, dat het boven schouderhoogte werken een probleem is vanwege de cervicobrachialgie en dat hij door zijn rugklachten niet in staat is verfblikken te tillen. Voorts voert hij aan dat er ten onrechte niet is ingegaan op zijn longklachten terwijl er sprake is van geurdampen en veel stof. Appellant heeft in verband met zijn psychische klachten verzocht om een onderzoek door een deskundige te laten verrichten. Appellant is het verder niet eens met de bezwaararbeidsdeskundige waar deze uitgaat van een gemiddelde van één uur per dag boven schouder werken en verwijst daarvoor naar de verklaringen van collega’s. Ook de bezwaararbeidsdeskundige geeft aan dat het gemiddelde van één uur aaneengesloten boven schouderhoogte werken een aanmerkelijk boven normale belasting betreft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk. In het geval van appellant is dat het werk van meewerkend voorman/constructieschilder.

4.2. De zwaarte en de inhoud van het eigen werk van appellant zijn toereikend gemotiveerd besproken in de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige van 8 februari 2011 en 21 april 2011. De bezwaararbeidsdeskundige heeft aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat de nadere omschrijving door appellant van het werk van constructieschilder met de daarbij gevoegde verklaringen van collega’s als illustratie wordt gebruikt bij de door hem in de rapportage van 8 februari 2011 gegeven functieomschrijving. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de door hem in de rapportage van 8 februari 2011 weergegeven functiebelasting gehandhaafd. Hij onderschrijft daarbij de visie dat er veel boven schouderhoogte gewerkt moet worden, maar ontkent dat dit elke dag in even grote mate voorkomt en heeft daarom een inschatting gemaakt, inhoudende dat er per werkdag sprake is van circa één uur waarin dit type hoog belastend in duur aaneengesloten boven schouder werken voorkomt. In de functiebelasting staat dat er sprake is van zware bovenschouder belasting. De gedingstukken en hetgeen appellant hierover heeft aangevoerd vormen geen aanleiding de door de bezwaararbeidsdeskundige weergegeven belasting voor onjuist te houden.

4.3. Ook met betrekking tot de medische beoordeling bestaat er geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen is zorgvuldig geweest. Beide artsen hebben appellant gezien en lichamelijk onderzocht. Tevens is rekening gehouden met informatie van de anesthesioloog en van de huisarts met daarbij de resultaten van een MRI-scan. Aanvullend onderzoek laat volgens de bezwaarverzekeringsarts zien dat de rugproblematiek wisselend en aspecifiek van aard en locatie is. Volgens de bezwaarverzekeringsarts kunnen de lichamelijke klachten niet geobjectiveerd worden. Er wordt een normale belastbaarheid waargenomen en er zijn psychisch geen duidelijke tekenen van pathologie. Gezien de geringe psychische belasting in de maatstaf arbeid vormt de psychische toestand van appellant volgens de bezwaarverzekeringsarts dan ook geen belemmering.

4.4. Op de in beroep en hoger beroep overgelegde informatie van de neuroloog, anesthesioloog, fysiotherapeut en huisarts heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd met diverse rapportages. Er bestaat geen aanleiding de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts, dat deze informatie eveneens een aspecifiek beeld laat zien dat het eerder beschreven beeld per datum in geding bevestigt, voor onjuist te houden. Blijkens deze informatie laat neurologisch onderzoek op 15 februari 2010 geen afwijkingen zien. Er is sprake van een discopathie op meerdere niveaus, maar geen wortelcompressie. De door de anesthesioloog op 2 februari 2010 vastgestelde cervicobrachialgie is slechts zijdelings genoemd en voornamelijk gebaseerd op de myogene klachten in combinatie met bewegingsangst. De lichamelijke klachten zijn volgens de anesthesioloog voor een groot deel psychogeen bepaald. Ook de verzekeringsarts M. Angun, die appellant op diens verzoek in het kader van een second opinion op 18 april 2012 heeft onderzocht concludeert dat er geen lichamelijk substraat is gevonden voor de lichamelijke klachten van appellant.

Er bestaat voorts - gelet op de aanwezige informatie van de huisarts - geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant vanwege zijn longklachten en de medicatie zijn werkzaamheden niet zou kunnen verrichten. De bezwaarverzekeringsarts heeft ten aanzien van de longklachten gesteld dat niet gebleken is van duurzame problematiek; er is sprake van een enkelvoudige klachtuiting bij de huisarts en van behandeling op incidentenniveau. Verder valt uit de informatie van de huisarts van 26 september 2011 weliswaar af te leiden dat appellant voor de door hem gestelde klachten van somberheid, lusteloosheid, verminderde concentratie, spierzwakte en sufheid bij de huisarts is geweest - op 4 december 2010, derhalve ver na datum in geding -, maar niet dat deze klachten ook expliciet als bijwerkingen van de medicatie zijn genoemd. Daar komt bij dat appellant de medicatie in afwijking van het advies van de huisarts ’s ochtends inneemt in plaats van ’s avonds voor het slapen gaan. Bij juiste inname van de medicatie zijn de bijwerkingen volgens de bezwaarverzekeringsarts grotendeels verdwenen.

Er bestaat - tot slot - geen reden voor het inschakelen van een deskundige. De door verzekeringsarts Angun op 18 april 2012 en per datum in geding gestelde somatisatie-stoornis vormt daartoe onvoldoende aanleiding nu appellant rond datum in geding niet onder behandeling was van een psycholoog en door de (bezwaar)verzekeringsartsen geen duidelijke tekenen van psychopathologie zijn vastgesteld en voorts de eigen werkzaamheden slechts een geringe psychische belastbaarheid laten zien.

4.5. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012.

(get.) C.P.J. Goorden

(get.) H.L. Schoor

TM