Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8909

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
10-6323 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding. Naar vaste rechtspraak van de Raad kan in een geding als het onderhavige de passendheid van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies als zodanig niet meer ter discussie staan. Dat het plaatsen van trays in de functie van medewerker tuinbouw feitelijk met één hand kon worden gedaan, zoals de Raad in zijn uitspraak van 9 maart 2011 heeft vastgesteld, moet in dit geding dan ook als vaststaand worden aangenomen. Gelet op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts is in de overgelegde gegevens onvoldoende grond gelegen om aan te nemen dat appellant op de datum in geding leed aan psychotische verschijnselen waardoor hij ongeschikt zou voor de functie van medewerker tuinbouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6323 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 oktober 2010, 10/2697 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2012.

Namens appellant is verschenen mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die in oktober 2006 arbeidsongeschikt is geworden, is met ingang van 27 oktober 2008, aansluitend aan de wachttijd van 104 weken niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Hij werd destijds in staat geacht in passende functies een zodanig inkomen te verdienen dat hij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank heeft het beroep tegen het ter zake afgegeven besluit op bezwaar van 27 januari 2009 bij uitspraak van 11 november 2009 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak bij uitspraak van 9 maart 2011 (LJN BP7948) bevestigd.

1.2. Appellant heeft zich op 5 oktober 2009 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is aan hem uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

2. Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 28 januari 2010 beëindigd, omdat appellant op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

3. Bij besluit van 8 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 januari 2010 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts uitgebrachte rapporten. De rechtbank zag geen aanknopingspunten het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling

5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat als maatstaf voor de arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW moet worden aangemerkt elk van de functies die aan appellant in het kader van de WIA-beoordeling per 27 oktober 2008 zijn voorgehouden. Hierbij geldt dat het bestreden besluit is gebaseerd op het standpunt dat appellant niet ongeschikt was voor de functie van medewerker tuinbouw. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 12 november 2008, LJN BG4669), kan in een geding als het onderhavige de passendheid van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies als zodanig niet meer ter discussie staan. Dat het plaatsen van trays in de functie van medewerker tuinbouw feitelijk met één hand kon worden gedaan, zoals de Raad in zijn uitspraak van 9 maart 2011 heeft vastgesteld, moet in dit geding dan ook als vaststaand worden aangenomen.

5.2. Appellant heeft in hoger beroep brieven van I-Psy van 6 september 2011 en 12 april 2012, met als bijlage een brief van 4 juli 2011, overgelegd. Volgens deze informatie zou appellant lijden aan een psychotische stoornis en zou anamnestisch blijken dat ook al op vroege leeftijd sprake was van schizo-affectieve stoornissen. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierop op 29 september 2011 en 24 april 2012 gereageerd en opgemerkt dat deze diagnose gelet op de overige beschikbare medische gegevens onvoldoende is onderbouwd en dat het verder gaat om een beschrijving van de actuele toestand. Bovendien is, aldus de bezwaarverzekeringsarts, medewerker tuinbouw een stressarme goed gestructureerde functie, die appellant ook met psychische klachten als vorenbedoeld zou kunnen uitoefenen. Gelet op dit commentaar is in de overgelegde gegevens onvoldoende grond gelegen om aan te nemen dat appellant op de datum in geding leed aan psychotische verschijnselen waardoor hij ongeschikt zou zijn voor voormelde functie.

5.3 . Hetgeen appellant heeft aangevoerd is dan ook geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen heeft de bezwaarverzekeringsarts rekening gehouden met de door een KNO-arts in november 2009 bij appellant verrichte operatie.

6. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van E. van Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E. van Heemsbergen.

CVG