Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8904

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
10-6428 WIA-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering Wet WIA-uitkering. De thans voorhanden gegevens bieden geen grondslag voor het oordeel dat er voldoende en ondubbelzinnige gegevens waren om volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering aan te nemen. De weigering van het Uwv appellant een WIA-uitkering toe te kennen wegens al bij aanvang van de verzekering bestaande volledige arbeidsongeschiktheid berust dus niet op een toereikende motivering. Het Uwv krijgt de opdracht om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Zie ook LJN: BW9048

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6428 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 oktober 2010, 10/2499 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.G.M. van Vught-van Moorsel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vught-van Moorsel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende, voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 31 maart 2005 van WSD-Groep Boxtel een indicatie voor de Wet sociale werkvoorziening (WSW) ontvangen. Daarbij is onder meer het volgende aangegeven. Het prestatievermogen van appellante wordt ingeschat op 50-75%. Zij wordt ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie matig. Er is sprake van een niet-ernstige psychische arbeidsbeperking. Appellante wordt niet geïndiceerd tot het zogenoemde begeleid werken, omdat zij speciale werkbegeleiding nodig heeft van meer dan (gemiddeld) 15% per jaar van de voor haar geldende werktijd.

1.2. Appellante is vervolgens met ingang van 31 oktober 2006 met WSD-Groep Boxtel een dienstverband aangegaan als inpakster voor 10,8 uur verdeeld over 3 dagen per week. Met aanvaarding van dit dienstverband werd zij verzekerde in de zin van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op 27 juni 2007 is zij voor haar werk uitgevallen als gevolg van psychische en lichamelijke klachten.

1.2. In verband met het verzoek van appellante haar in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering is zij op 17 april 2009 onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze verzekeringsarts heeft de door haar vastgestelde beperkingen van appellante aan het einde van de wachttijd ingevolge de Wet WIA op 24 juni 2009 neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 april 2009. Mede op grond van de door appellante gedane mededelingen en de verkregen informatie van de huisarts van 24 april 2009 acht de verzekeringsarts appellante per 24 juni 2009 in dezelfde mate belastbaar als bij aanvang verzekering. Zij acht het waarschijnlijk dat appellante vanaf het begin het werk niet heeft aangekund.

1.3. Bij besluit van 6 juli 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 december 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv vastgesteld dat op grond van artikel 43, aanhef en onder c, en artikel 46, tweede lid, van de Wet WIA voor appellante geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van deze wet, omdat zij bij aanvang van de verzekering al volledig arbeidsongeschikt was.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij aanvang van de verzekering sprake was van arbeidsgeschiktheid, zij het met enige beperkingen. Dit volgt ook uit de WSW-indicatie van 31 maart 2005. Op 27 juni 2007 is zij na een incident uitgevallen voor haar werk. Sedertdien zijn de psychische klachten en beperkingen toegenomen en is zij onder behandeling gekomen. Appellante meent dat in haar geval niet is voldaan aan het criterium van voldoende en ondubbelzinnige aanwijzingen voor het bestaan van een reële arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Eerst na een periode van 8 maanden is zij uitgevallen voor haar werk.

3.2. Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Volgens artikel 47, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA ontstaat recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de verzekerde die ziek wordt indien er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.

Artikel 43 van de Wet WIA luidt: “Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:

(…)

c. volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid;

(…).”

Op grond van artikel 46, eerste lid, van de Wet WIA, wordt onder volledige arbeidsongeschiktheid verstaan het als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat zijn om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Artikel 46, tweede lid, van de Wet WIA luidt:

“Artikel 43, onderdeel c, is van toepassing indien er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid:

a. die bestond op het tijdstip van aanvang van de verzekering of ontstond tijdens een periode waarin de verzekerde op grond van artikel 64 Wet financiering sociale verzekeringen een ontheffing van de verplichtingen op grond van deze wet had wegens gemoedsbezwaren; of b. die binnen een half jaar na het tijdstip van aanvang van de verzekering of na het tijdstip van eindiging van de periode, bedoeld in onderdeel a, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de verzekerde op dat tijdstip het intreden van die arbeidsongeschiktheid binnen een half jaar kennelijk moest doen verwachten.”

Ingevolge artikel 133f Wet WIA blijven de artikelen 43, onderdeel c, artikel 46 en artikel 124 zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving van toepassing op de persoon wiens eerste werkdag waarop door hem wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt, is gelegen voor die dag.

4.2. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 43 van de Wet WIA leidt de Raad af, dat de wetgever voor de toepassing van de uitsluitingsgrond onder c, inhoudelijk geen wijziging heeft beoogd ten opzichte van het bepaalde in artikel 30, eerste lid, van de WAO. Dit brengt naar het oordeel van de Raad mee dat de door hem gevormde rechtspraak over deze laatste bepaling ook voor de toepassing van artikel 43, aanhef en onder c, en artikel 46 van de Wet WIA haar gelding blijft houden. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 28 april 2010 (LJN BM2756).

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 17 mei 2006, LJN AX4595) is voor de toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering ingevolge de WAO. Hierbij geldt dat het enkele feit dat voor of bij aanvang van de verzekering klachten of beperkingen bestaan, niet toereikend is voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. Voor de aan de onderhavige besluitvorming ten grondslag gelegde artikelen 43, aanhef en onder c, en 46 van de Wet WIA zal de Raad bezien of aan deze voorwaarden is voldaan

5.1. Appellante heeft haar werk gedurende bijna acht maanden verricht voordat zij op 27 juni 2007 uitviel ten gevolge van psychische en lichamelijke klachten. Tot die datum heeft zij werk verricht dat was aangepast aan haar mogelijkheden en beperkingen. Met betrekking tot het ziekteverzuim in deze periode blijkt slechts dat appellante op 2 maart 2007 voor haar werk was uitgevallen in verband met griep en rugklachten en dat het verwachte verzuimduur minder dan twee weken bedroeg. Ter zitting is door de gemachtigde van het Uwv bevestigd dat geen onderzoek is gedaan naar de wijze waarop appellante haar werkzaamheden heeft gedaan.

5.2. Voorts kan uit de beschikbare medische stukken niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat de FML van 17 april 2009 reeds gold bij aanvang van de verzekering. In de van de huisarts verkregen inlichtingen ontbreken medische gegevens van rondom die datum. In het verslag van de diagnose- en adviesgesprek met de vraagstelling psychiatrische problematiek van de Reinier van Arkel groep is geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat deze informatie ook betrekking heeft op de gezondheidstoestand van appellante op datum aanvang verzekering.

5.3. In de thans voorhanden gegevens ziet de Raad dan ook geen grondslag voor het oordeel dat er voldoende en ondubbelzinnige gegevens als onder 4.3 bedoeld waren om volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering aan te nemen. De weigering van het Uwv appellant een WIA- uitkering toe te kennen wegens al bij aanvang van de verzekering bestaande volledige arbeidsongeschiktheid berust dus niet op een toereikende motivering. De Raad wijst erop dat zonder een dergelijke motivering, bij gebrek aan voldoende en ondubbelzinnige gegevens als eerder bedoeld, geen volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering kan worden aangenomen.

5.4. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen het bestreden besluit in overeenstemming te brengen met het oordeel van de Raad en alsnog een deugdelijk gemotiveerd standpunt in te nemen ten aanzien van appellantes situatie bij aanvang van haar verzekering en - daaraan gekoppeld - haar recht op uitkering op de datum in geding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.

(get.) J. Riphagen.

(get.) R.L. Rijnen.

CVG