Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8897

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
10-5648 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben op een inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn maatstaf arbeid. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd maar niet met medische stukken is onderbouwd geeft geen reden tot twijfel aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5648 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 september 2010, 09/5147 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 juni 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met als bijlage een rapport van bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes van 12 november 2010.

Voorts heeft het Uwv desgevraagd bij brief van 25 oktober 2011 een medisch stuk overgelegd, alsmede een nadere reactie van bezwaarverzekeringsarts Van Erk-Raes van 19 oktober 2011.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2012. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 2002 uitgevallen voor zijn werk als vertegenwoordiger met rugklachten. Nadien zijn daar prostaat- en depressieve klachten bijgekomen. Na het volbrengen van de wachttijd is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering is per 28 februari 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% omdat appellant, uitgaande van de bij hem door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen, waaronder een urenbeperking van (maximaal) twintig uren per week, door de arbeidsdeskundige in staat werd bevonden passende functies te vervullen met een verlies aan verdiencapaciteit van 55,07%. Daarnaast is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Vanuit deze uitkeringssituatie heeft appellant zich bij brief van 5 februari 2009 opnieuw bij het Uwv gemeld met verergerde rugklachten.

1.2. Aan appellant is een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. De verzekeringsarts G. Sneijders heeft op basis van schriftelijke informatie van de neuroloog P.R. Schiphof en onderzoek van appellant op het spreekuur van 17 september 2009 geconcludeerd dat appellant ten opzichte van de voorgaande beoordeling onveranderd geschikt is voor de destijds geselecteerde rugsparende werkzaamheden. De verzekeringsarts heeft daarbij betrokken dat voldoende medische informatie voorhanden was om tot een valide inschatting van de belastbaarheid te komen en dat ook bij de voorgaande (arbeidsongeschiktheids)beoordeling al rekening was gehouden met een verminderde rugbelastbaarheid.

1.3. In overeenstemming met dit standpunt van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 10 september 2009 appellant ingaande 17 september 2009 (verdere) uitkering ingevolge de ZW geweigerd.

1.4. Bij besluit van 9 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 september 2009, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Van Erk-Raes van 17 september 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts voldoende inzichtelijk en uitgebreid zijn en geen reden geven om te twijfelen aan de degelijkheid van de onderzoeken van de verzekeringsartsen, waarbij de informatie van de neuroloog Schiphof is betrokken. Dat het Uwv geen informatie bij de anesthesioloog G. Filipini-de Moor heeft ingewonnen doet daaraan niet af.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zowel het Uwv als de rechtbank hebben verzuimd om informatie in te winnen bij de anesthesioloog Filipini-de Moor en dat de pijnklachten dusdanig ernstig zijn en een negatieve invloed hebben op zijn nachtrust dat hij niet in staat is arbeid te verrichten. Ook de Raad is verzocht om bij voornoemde anesthesioloog alsnog informatie in te winnen.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde, na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Nu deze concretisering in het kader van de WAO betekent dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk. Dit brengt mee dat de verzekerde in de hier bedoelde gevallen voor de toepassing van de ZW ongeschikt is voor “zijn arbeid”, als hij voor al deze functies ongeschikt is.

4.2. Wat betreft de medische beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hebben op een inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor zijn maatstaf arbeid. Op basis van dossierstudie, verkregen medische informatie en eigen onderzoek is de (bezwaar)verzekeringsarts niet gebleken dat de destijds in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voor de WAO gegeven beperkingen, waarbij ook de rugklachten waren betrokken, niet meer toereikend zijn. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft ook voldoende toegelicht waarom het inwinnen van nadere informatie bij de anesthesioloog Filipini-de Moor geen toegevoegde waarde heeft. Daarbij komt dat aan de vermoeidheidsklachten van appellant door de medische urenbeperking tegemoet gekomen is. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd maar niet met medische stukken is onderbouwd geeft geen reden tot twijfel aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts. Hierin ligt besloten dat ook de Raad geen aanleiding ziet om nadere informatie in te winnen bij voornoemde anesthesioloog.

4.3. Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.2. slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er zijn geen termen aanwezig om te komen tot een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.

(get.) CH. van Voorst.

(get.) E. van Heemsbergen.

CVG