Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8895

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
11-4795 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De medische gegevens geven geen aanleiding voor de conclusie dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid de beperkingen van appellant bij een langdurige belasting door arbeid hebben onderschat. Uitgaande van de juistheid van de in de FML vastgestelde medische beperkingen moet appellant in staat worden geacht de voor hem geduide functies te verrichten. De door appellante in hoger beroep overgelegde verklaringen leiden niet tot een andersluidend oordeel. Dat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige in zijn rapport in zijn algemeenheid wijst op de discussie over het aanmerken van CVS als erkende ziekte en opmerkt dat CVS als zodanig geen psychiatrisch ziektebeeld is volgens de DSM-classificatie, leidt er niet toe dat hij niet onafhankelijk zou zijn. Er is geen aanleiding voor het benoemen van een nieuwe deskundige op het terrein van tropenziekte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4795 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 juli 2011, 07/119 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 20 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.Houtsma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2012. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Houtsma. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 1997 uitgevallen voor zijn werk als organisatieadviseur vanwege chronische vermoeidheidsklachten. Per 20 oktober 1998 is aan hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2004 is voor appellant een urenbeperking van 20 uur per week gesteld. Zijn mate van arbeidsongeschiktheid is op arbeidskundige gronden niet gewijzigd.

1.2. Op basis van een herbeoordeling in 2006 heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant in staat is om werk te verrichten dat in overeenstemming is met zijn beperkingen zoals door de verzekeringsarts opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 januari 2006. Door een arbeidskundige zijn passende functies geselecteerd en bij besluit van 9 februari 2006 is aan appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 9 april 2006 wordt verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 6 december 2006 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 februari 2006 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het bestreden besluit gebaseerd op de onderzoeken en de bevindingen van een bezwaarverzekeringsarts en van een bezwaararbeidsdeskundige. De bezwaarverzekeringsarts heeft een aangepaste FML opgesteld, gedateerd op 10 oktober 2006.

2. De rechtbank heeft aanleiding gezien nadere onderzoeken in te laten stellen en heeft achtereenvolgens als deskundigen benoemd de psychiater drs. G.T. Gerssen, de internist prof. dr. Abraham-Inpijn en de neuroloog dr. H.J. Vroon.

Naar aanleiding van de bevindingen van de deskundigen heeft de rechtbank het volgende overwogen (waarbij appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder):

"Psychiater Gerssen heeft na onderzoek geconcludeerd dat op 9 april 2006 bij eiser sprake is van chronische vermoeidheidsklachten in aansluiting op een kort verblijf in de tropen in 1989, volgens de DSM-classificatie op As III aangeduid als Chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Volgens de psychiater gelden voor eiser beperkingen bij het verrichten van werkzaamheden op het gebied van het persoonlijk functioneren, doordat eiser is aangewezen op voorspelbare werksituaties. De psychiater kan instemmen met de beperkingen die door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn geformuleerd in de FML. Ook kan de psychiater zich verenigen met het standpunt van verweerder dat eiser op de datum in geding in staat is om 38 uur te werken. Voor de aanhoudende lichamelijke klachten van eiser geeft psychiater Gerssen de rechtbank in overweging om een nader onderzoek door een internist te laten verrichten.

De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien nader onderzoek in te laten stellen door een internist en heeft daarvoor Prof. dr. L. Abraham-Inpijn als tweede deskundige benoemd. Internist Abraham-Inpijn heeft na onderzoek geconcludeerd dat op het overgangsgebied met de interne geneeskunde er bij eiser sprake is van een chronisch vermoeidheidssyndroom, waarbij algemeen aanvaard wordt dat, ondanks het ontbreken van aantoonbare afwijkingen, sprake is van een verminderde belastbaarheid. De internist is het niet eens met een aantal beperkingen in de FML. Zij acht eiser meer beperkt ten aanzien van het horen, de geluidsbelasting, het trappenlopen, geknield of gehurkt zijn en voor de werktijden. De deskundige acht voorts een urenbeperking van 20 uur per week aangewezen om geen overbelasting te bewerkstelligen. Voor nader onderzoek naar de oorzaak van permanente spierklachten van eiser mogelijk als gevolg van een in 1989 tijdens verblijf in de tropen doorgemaakte St. Louis encefalitis (virusinfectie), acht de internist Abraham-Inpijn nader onderzoek aangewezen door een neuroloog met belangstelling voor spierziekte en tropische geneeskunde.

De rechtbank heeft daaraan gehoor gegeven en neuroloog dr. H.J. Vroon als derde deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De neuroloog heeft na onderzoek geconcludeerd dat op neurologisch gebied geen afwijkingen zijn gevonden en voor eiser geen beperkingen aanwezig zijn. Voor het chronisch vermoeidheidssyndroom van eiser heeft de neuroloog Vroon verwezen naar de beperkingen die de internist Abraham-Inpijn in haar rapport van 29 januari 2009 heeft aangegeven. Op neurologisch gebied kan de neuroloog instemmen met verweerder standpunt dat eiser op de datum in geding in staat was om 38 uur per week te werken.

Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraak van 28 december 2009, LJN: BK8190, wordt het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel gevolgd. In dit geval is evenwel sprake van drie door de rechtbank benoemde deskundigen, terwijl deze deskundigen niet op alle onderdelen tot een eensluidend oordeel zijn gekomen met betrekking tot de medische beperkingen en de noodzaak voor een urenbeperking voor eiser. De rechtbank dient derhalve te bezien aan welk oordeel doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. Daarbij zal de rechtbank tevens acht slaan op hetgeen verweerder, bij monde van de bezwaarverzekeringsarts, naar aanleiding van de verschillende rapportages naar voren heeft gebracht.

De rechtbank overweegt dat als eerste deskundige is benoemd psychiater Gerssen. Gerssen heeft het dossier bestudeerd, inclusief de zich daarin bevindende medische stukken, hij heeft vervolgens zelf een uitgebreid onderzoek afgenomen en komt vervolgens tot een diagnose en tot een beantwoording van de door de rechtbank gestelde vragen.

Het onderzoek door de internist Abraham-Inpijn leidt tot de conclusie dat bij eiser sprake is van het chronisch vermoeidheidssyndroom, welke diagnose overeenstemt met die van Gerssen. Abraham-Inpijn constateert dat er geen aantoonbare organische afwijkingen zijn aangetroffen.

Desondanks is zij van mening dat bij eiser verdergaande beperkingen moeten worden aangenomen dan door de bezwaarverzekeringsarts waren vastgesteld. Ook acht Abraham-Inpijn een urenbeperking op zijn plaats, vanwege de dreiging van overbelasting, leidend tot decompensatie. Zij heeft in dat verband verwezen naar het gedeelte van haar rapport over het verdere beloop van de ziektegeschiedenis. In haar aanvullend rapport van 17 juli 2010 licht zij dit nog nader toe door te verwijzen naar het schrijven van Altrecht van 26 mei 2008, waaruit blijkt dat bij eiser excacerbaties van angst, depressie en suïcidaliteit zijn opgetreden. De internist is ten slotte van oordeel dat nader onderzoek zou moeten plaatsvinden naar de gevolgen van de doorgemaakte St. Louis encephalitis virusinfectie. Dat onderzoek is door Vroon verricht.

De rechtbank overweegt dat Gerssen blijkens zijn rapportage van 5 maart 2008 een zorgvuldig onderzoek heeft verricht op zijn eigen deskundigheidsterrein en dat hij zijn oordeel gemotiveerd en op consistente heeft geformuleerd. Hij heeft, kennelijk om uit te sluiten dat er toch sprake is van een lichamelijke stoornis, een aanvullend onderzoek geadviseerd. De rechtbank constateert dat Abraham-Inpijn geen lichamelijke oorzaken heeft vastgesteld in haar aanvullend rapport van 17 juli 2010 en dat ook Vroon tot de conclusie komt dat neurologisch gebied afwijkingen noch beperkingen aanwezig zijn. Nu Gerssen in zijn rapport slechts een (impliciet) voorbehoud heeft gemaakt voor wat betreft lichamelijke afwijkingen en deze door beide aanvullende onderzoeken niet zijn vastgesteld, ziet de rechtbank aanleiding om Gerssen aan te merken als de onafhankelijke deskundige als onder 2.10 omschreven en diens conclusies te volgen. De rechtbank ziet in hetgeen Abraham-Inpijn adviseert met betrekking tot verdergaande beperkingen en een urenbeperking, geen aanleiding om aan de conclusies van Gerssen te twijfelen. De internist vindt immers geen afwijkingen op haar eigen onderzoeksterrein en onderbouwt voorts in onvoldoende mate waarom op een aantal onderdelen meer beperkingen zouden moeten worden aangenomen. De rechtbank kan wat dat betreft de bezwaarverzekeringsarts, tot wiens specifieke deskundigheid het behoort om op basis van de medisch objectiveerbare klachten de beperkingen ter zake van het verrichten van arbeid vast te stellen, in zijn nadere reacties van 2 februari 2009 en van 12 juni 2009 volgen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat Abraham-Inpijn ter onderbouwing van de noodzaak voor een urenbeperking verwijst naar psychische klachten die door de neuro-psycholoog Prins zijn vastgesteld, terwijl Gerssen, die bij uitstek deskundig mag worden geacht op het gebied van psychische klachten, in de eerder bij eiser voorgevallen exacerbaties van angst, depressie en suicidaliteit geen aanleiding heeft gezien voor een urenbeperking. Overigens is ook Vroon van oordeel dat een urenbeperking niet noodzakelijk is."

De medische gegevens hebben de rechtbank geen grond gegeven voor de conclusie dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 9 april 2006 de beperkingen van appellant bij een langdurige belasting door arbeid hebben onderschat. Uitgaande van de juistheid van de in de FML vastgestelde medische beperkingen moet appellant in staat worden geacht de voor hem geduide functies te verrichten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 13 oktober 2006 uitvoerig en toereikend gemotiveerd dat de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden. De rechtbank heeft vervolgens het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft (samengevat) in hoger beroep, evenals in beroep, aangevoerd dat hij op en na 9 april 2006 zodanige beperkingen ondervindt in zijn lichamelijke en psychische belastbaarheid dat er geen sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant ingebracht dat de rechtbank onvoldoende acht heeft geslagen op de klachten die voortvloeien uit de doorgemaakte infectie met het St. Louis virus, dat ten onrechte doorslaggevende betekenis is toegekend aan het rapport van psychiater Gerssen, dat Gerssen gezien zijn standpunt ten aanzien van CVS niet onafhankelijk is en dat de rechtbank ten onrechte de rapporten van de door appellant ingeschakelde medisch specialisten heeft gepasseerd. Appellant heeft voorgesteld een nieuwe deskundige te benoemen. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant nog verklaringen overgelegd van de internist dr. D. Overbosch en van de neuropsycholoog

drs. E. Van der Scheer.

4.1. De Raad verenigt zich met de het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen zoals vermeld onder 2. De door appellante in hoger beroep overgelegde verklaringen leiden niet tot een andersluidend oordeel. De door dr. Overbosch in zijn brief van 16 november 2011 verwoorde visie dat een doorgemaakte St. Louis encephalitis zeer wel een vermindering van neuropsychologische functies ten gevolg kan hebben, is te algemeen gesteld om in het concrete geval van appellant tot conclusies omtrent zijn mate van arbeidsongeschiktheid te komen, temeer daar uit de beschikbare medische gegevens niet blijkt dat ten tijde van de doorgemaakte infectie in 1989 sprake was van ernstige ziekteverschijnselen bij appellant. In de verklaring van neuropsycholoog Van der Scheer, gedateerd 2 maart 2012 spreekt deze een oordeel uit over het in 2004 door GGZ-Buitenamstel uitgevoerde neuropsychologisch onderzoek. Gelet op het grote tijdsverloop tussen het uitgevoerde onderzoek en het moment waarop de kritiek daarop naar voren wordt gebracht kunnen daaraan thans niet de gevolgen worden verbonden welke appellant daaraan wenst te verbinden. Dat de deskundige Gerssen in zijn rapport in zijn algemeenheid wijst op de discussie over het aanmerken van CVS als erkende ziekte en opmerkt dat CVS als zodanig geen psychiatrisch ziektebeeld is volgens de DSM-classificatie, leidt er niet toe dat hij niet onafhankelijk zou zijn. Er is geen aanleiding voor het benoemen van een nieuwe deskundige op het terrein van tropenziekte. In de jaren na 1989 waren er als aangegeven, geen ernstige aan het St. Louis virus te relateren ziekteverschijnselen en de neuroloog Vroon voornoemd acht het zeer onwaarschijnlijk dat ten aanzien van appellant sprake is van verlate gevolgen van dit virus.

4.2. Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Er zijn geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en J.J.T. van den Corput en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van R. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.

(get.) J. Riphagen.

(get.) R. Rijnen.

JL