Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8784

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
10-4703 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Door zijn handelwijze is appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen. Als gevolg hiervan kon niet worden vastgesteld of appellant ten tijde als hier van belang verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Niet ontkend wordt dat er sprake is van een lastige bewijspositie van appellant, doch niet van een onmogelijke. Gelet op de uit het onderzoek blijkende door appellant geschapen en niet opgehelderde onduidelijkheid, liggen de gevolgen daarvan in zijn risicosfeer. De stelling dat hij in het verleden altijd verantwoording heeft afgelegd over zijn financiële situatie slaagt niet. Het college was bevoegd om de bijstand over de periode in geding met in te trekken. Hetgeen appellant heeft aangevoerd bevat geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid. Het college was bevoegd de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd bevat geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4703 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 juli 2010, 09/1812 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Egypte) (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

Datum uitspraak: 19 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken met registratienummers 10/4685 WWB, 10/4886 WWB, 10/4144 WWB, 10/4713 WWB, 10/4714 WWB, plaatsgevonden op 8 mei 2012. Voor appellant is verschenen mr. Brauer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.J.P. Pozuen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. Thans wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 3 november 2011, met een korte onderbreking in 2005, bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van de door appellant in het kader van de aanvraag om bijstand van 22 december 2008 overlegde gegevens waaronder afschriften van zijn bankrekening bij de ING en zijn creditcardrekening, heeft de unit sociale recherche van de gemeente Sittard-Geleen een onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de appellant verleende bijstand. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport dat is afgesloten op 15 mei 2009.

1.2. De resultaten van dit onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 29 mei 2009 de bijstand van appellant over de periode van 1 juni 2004 tot 1 oktober 2008 in te trekken, en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 58.386,22 van hem terug te vorderen. De hoogte van het terug te vorderen bedrag is bij besluit van 16 juni 2009 gewijzigd en vastgesteld op bruto € 55.957,97.

1.3. Bij besluit van 10 september 2009 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 29 mei 2009 en 16 juni 2009 gegrond verklaard voor zover deze zien op de hoogte van het oorspronkelijke terugvorderingsbedrag, en voor het overige ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hij heeft een afdoende verklaring gegeven voor de geldstromen. Een volledige verantwoording van iedere geldtransactie in het verleden is thans niet meer mogelijk, maar dat mag van hem ook niet worden verwacht nu hij in de periode in geding steeds verantwoording heeft afgelegd op de door het college voorgeschreven wijze. Het college heeft ten onrechte geen rekening gehouden met van vrienden geleend geld. Appellant kan niet worden tegengeworpen dat hij de leningen destijds niet schriftelijk heeft vastgelegd en wordt nu achteraf met een onmogelijke bewijslast geconfronteerd. De onverklaarbare verschillen bedragen slechts “luttele duizend euro’s”, zodat het niet redelijk is de volledige uitkering over de geding zijn periode in te trekken dan wel terug te vorderen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit de afschriften van de ING-bankrekening van appellant blijkt dat er in de periode van juni 2004 tot 1 oktober 2008 een groot aantal kasstortingen heeft plaatsgevonden, variërend van € 50,-- tot € 1.000,-- per keer, tot een totaalbedrag van € 11.840,--. Verder is op 9 december 2005 op zijn bankrekening een bijschrijving te zien onder vermelding “borg [(...)]”. Ter verklaring van deze kasstortingen heeft appellant onder meer gesteld dat hij geld spaart door briefjes van respectievelijk f 5,-- en € 5,-- apart te houden, dat hij het gespaarde geld na een tijdje op zijn bankrekening stort, dat hij geld leent van vrienden en dat hij geld van zijn rekening haalt waarvan hij een deel later weer terugstort. Over de borg heeft hij verklaard dat hij dit geld heeft geleend van [S.] in verband met het gebruik van zijn auto in Egypte. Verder zijn op zowel de afschriften van zijn bankrekening als van zijn creditcard over meerdere maanden opnames te zien in Egypte. Appellant heeft verklaard dat hij zijn pinpas en zijn creditcard opstuurt naar Egypte, dat zijn broer geld opneemt ten behoeve van zijn zieke moeder en dat zijn broer de pasjes daarna weer terug stuurt.

4.2. Voor de door appellant gegeven verklaringen is geen bewijs voorhanden waarmee de herkomst van de per kas gestorte bedragen kan worden aangetoond. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geld heeft geleend. Zijn op 2 februari 2009 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring dat hij van diverse, voor een deel niet met name genoemde, mensen geld heeft geleend en de door hem overgelegde in het Duits gestelde verklaring van [S.] van 11 maart 2009 zijn in dit verband onvoldoende. Voorts is uit het onderzoek gebleken dat appellant over de meeste maanden in de in geding zijnde periode hogere uitgaven had aan vaste lasten dan aan inkomsten uit bijstand en toeslagen, dat er nauwelijks pintransacties in Nederland waren en dat er weinig opnames waren ten behoeve van levensonderhoud. Gelet op de grote onduidelijkheid die appellant heeft geschapen en heeft laten voortbestaan over de herkomst van de gestorte bedragen in samenhang bezien met de omstandigheid dat de uitgaven per maand voor de vaste lasten doorgaans hoger waren dan de inkomsten, heeft het college terecht rekening gehouden met de mogelijkheid dat appellant daarnaast ook middelen heeft verkregen die niet in de stortingen zijn begrepen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt hoe hij ondanks zijn beperkte middelen in de kosten van zijn bestaan heeft kunnen voorzien. Daarvoor kan geen verklaring worden gevonden in het door hemzelf opgestelde overzicht van opnames en stortingen, aangezien daarbij wordt uitgegaan van de aanwezigheid van een aanzienlijk bedrag aan contant geld dat hij in zijn woning bewaart, waarvan de herkomst niet duidelijk is.

4.3. Door zijn handelwijze is appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet nagekomen. Als gevolg hiervan kon niet worden vastgesteld of appellant ten tijde als hier van belang verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Niet ontkend wordt dat er sprake is van een lastige bewijspositie van appellant, doch niet van een onmogelijke. Gelet op de onder 4.2 vermelde uit het onderzoek blijkende door appellant geschapen en niet opgehelderde onduidelijkheid, liggen de gevolgen daarvan in zijn risicosfeer. De stelling dat hij in het verleden altijd verantwoording heeft afgelegd over zijn financiële situatie slaagt in het licht van het vorenstaande niet.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen was het college bevoegd om de bijstand over de periode in geding met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.

4.5. Uit 4.4 vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was de over de periode in geding ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Het college voert het beleid dat altijd ten onrechte verleende bijstand wordt teruggevorderd, behoudens - voor zover hier van belang - wanneer sprake is van dringende redenen. Het college heeft in overeenstemming met zijn beleidsregel tot terugvordering besloten. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen dringende redenen in bovengenoemde zin en evenmin een grond voor het oordeel dat het college met toepassing van artikel 4:84 (slot) van Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk van terugvordering had behoren af te zien. De Raad kan de stelling van appellant dat sprake is van onevenredigheid tussen enerzijds de hoogte van de terugvordering en anderzijds de onverklaarbare verschillen die volgens hem slechts “luttele duizend euro’s” bedragen niet volgen, reeds omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.6. Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

HD