Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8783

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
10-4713 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluiten worden niet gehandhaafd. Ter zitting heeft het college meegedeeld dat het zich nu op het standpunt stelt dat appellant over bijstand toekomt naar aanleiding van zijn eerdere aanvraag, zodat appellant achteraf bezien de thans aan de orde zijnde aanvraag niet had behoeven te doen en dat daarmee de grondslag komt te ontvallen aan het bestreden besluit en het besluit van 28 april 2009. Het college handhaaft die besluiten niet langer. Vernietiging aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het bestreden besluit in stand is gelaten. Vernietiging van het bestreden besluit voor het overige en herroeping van het besluit van 28 april 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4713 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 juli 2010, 09/1501 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Egypte) (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

Datum uitspraak: 19 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft hoger beroep ingesteld, geregistreerd onder nummer 10/4144 WWB.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken met registratienummers 10/4144 WWB, 10/4685 WWB, 10/4886 WWB, 10/4703 WWB en 10/4714 WWB plaatsgevonden op 8 mei 2012. Voor appellant is verschenen mr. Brauer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.J.P. Pozuen. Ter zitting heeft het college het hoger beroep in zaak 10/4144 WWB ingetrokken. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. Thans wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het college heeft de bijstand die appellant op grond van de Wet werk en bijstand ontving bij besluit van 4 december 2008 met ingang van 1 oktober 2008 ingetrokken. Het college heeft de daarop in december 2008 door appellant gedane aanvraag om bijstand bij besluit van 19 februari 2009 afgewezen. Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om bijstand heeft het college aan appellant bij besluit van 28 april 2009 bijstand toegekend met ingang van 13 maart 2009 en daarbij zijn vermogen vastgesteld op € 7.169,86 negatief.

1.2. Na bezwaar heeft het college bij besluit van 20 augustus 2009 (bestreden besluit) de ingangsdatum van de bijstand gehandhaafd en het vermogen vastgesteld op € 63.127,83 negatief en geen kosten in bezwaar toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover betrekking hebbend op de vermogensvaststelling en de arbeidsverplichtingen, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de kosten in bezwaar. Voorts is een kostenvergoeding in bezwaar en in beroep toegekend en is bepaald dat het griffierecht in beroep wordt vergoed.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ter zitting heeft het college meegedeeld dat het zich nu op het standpunt stelt dat appellant over januari 2009 en van 1 maart 2009 tot 13 maart 2009 bijstand toekomt naar aanleiding van zijn eerdere aanvraag van december 2008, zodat appellant achteraf bezien de thans aan de orde zijnde aanvraag niet had behoeven te doen en dat daarmee de grondslag komt te ontvallen aan het bestreden besluit en het besluit van 28 april 2009. Het college handhaaft die besluiten dan ook niet langer. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het bestreden besluit in stand is gelaten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit ook voor het overige vernietigen en tevens het besluit van 28 april 2009 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de Raad vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden, in aanmerking genomen de veroordeling in de proceskosten die wordt uitgesproken in de uitspraak van heden in zaak 10/ 4686 WWB, begroot op € 437,-- wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het besluit van 20 augustus 2009 in stand is gelaten;

- vernietigt het besluit van 20 augustus 2009, voor zover door de rechtbank in stand gelaten;

- herroept het besluit van 28 april 2009 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de Raad vernietigde gedeelte van het besluit van 20 augustus 2009;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 437,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

HD