Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8771

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
11-3864 WWB-V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. In deze procedure is de vraag of het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de betaling van het griffierecht al dan niet terecht heeft afgewezen niet aan de orde. Voorts levert het enkele feit dat deze aanvraag is afgewezen geen grond op voor het oordeel dat het achterwege blijven van betaling van het griffierecht niet aan appellant kan worden verweten. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat appellant niet in verzuim is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3864 WWB-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 juni 2011, 10/498 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 19 juni 2012

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 21 februari 2012 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft tegen voornoemde uitspraak van de Raad verzet gedaan.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 8 mei 2012. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 21 februari 2012 berust hierop dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de daartoe gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

In het verzetschrift heeft appellant aangevoerd dat de Raad het hoger beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Er is naar de mening van appellant sprake van een onjuist besluit van het college van 1 december 2011 waarbij zijn verzoek om bijzondere bijstand voor de betaling van griffierecht is afgewezen. Volgens appellant had de Raad dit besluit moeten vernietigen en zelf in de zaak moeten voorzien. Appellant stelt dat in die zin sprake is van omstandigheden die het verschoonbaar maken dat het griffierecht niet is betaald.

De Raad volgt appellant hierin niet. In deze procedure is de vraag of het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de betaling van het griffierecht al dan niet terecht heeft afgewezen niet aan de orde. Voorts levert het enkele feit dat deze aanvraag is afgewezen geen grond op voor het oordeel dat het achterwege blijven van betaling van het griffierecht niet aan appellant kan worden verweten. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat appellant niet in verzuim is geweest. Dit betekent dat het verzet ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2012.

(get.) C. van Viegen

(get.) A.C. Oomkens

ew