Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8756

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
10-1180 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Volgens vaste rechtspraak is het gebruik van beweerdelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen slechts dan niet toegestaan indien deze zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar wordt geacht. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich een dergelijke situatie voordoet. De bestuursrechter is bevoegd de grondslag van het besluit tot intrekking en terugvordering te toetsen. Dat aan de strafrechter de bevoegdheid toekomt om te toetsen of in het strafrechtelijk onderzoek de verdachte de hem toekomende bescherming is geboden, doet daaraan niet af. Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Er zijn bij dit onderzoek geen bijzondere bevoegdheden toegepast, zodat een aanwijzing als niet nodig was voor het uitvoeren van het onderzoek. Artikel 53a van de WWB is aan te merken als een toereikende wettelijke grondslag voor het huisbezoek in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Het beroep op het arrest van de Hoge Raad van 23 september 1992, LJN ZC5108 slaagt niet. De situatie die daar aan de orde was is niet vergelijkbaar met het hier verrichte onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1180 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2010, 09/904 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (college)

Datum uitspraak: 19 juni 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.P. Kuijper, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2012. Voor appellante is mr. Kuijper verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Tielbeke.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving van 20 januari 2000 tot 5 mei 2008 in aanvulling op haar inkomsten uit arbeid in een restaurant bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder. De bijstand is per 5 mei 2008 beëindigd in verband met inkomsten uit arbeid die de voor haar geldende norm te boven gaan.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme telefonische melding dat appellante veel meer uren werkt dan de uren die zij aan het college opgeeft, heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam, Handhaving afdeling Controle en Opsporing (DWI), op verzoek van het college een onderzoek ingesteld naar de mogelijke verzwegen werkzaamheden en inkomsten van appellante. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, hebben observaties plaatsgevonden, zijn getuigen gehoord en is appellante verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal uitkeringsfraude van 12 juni 2008 en een rapport uitkeringsfraude van dezelfde datum.

1.3. De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 18 juli 2008 de aan appellante verleende bijstand met ingang van 1 maart 2004 in te trekken en de over de periode van 1 maart 2004 tot 5 mei 2008 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 55.369,21. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante haar feitelijke werkzaamheden en inkomsten voor het college heeft verzwegen.

1.4. Bij het besluit van 21 januari 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft tegen deze uitspraak op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In bezwaar, in beroep en in het hoger beroepschrift heeft appellante geen gronden aangevoerd tegen de vastgestelde feiten en heeft zij de uit die feiten getrokken conclusies niet betwist. Eerst ter zitting heeft appellante aangevoerd dat uit de verklaringen van de getuigen niet volgt dat zij meer zou hebben gewerkt dan door haar is opgegeven, zodat deze verklaringen onvoldoende bewijs opleveren om de daaruit getrokken conclusie te kunnen dragen. De Raad zal deze beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde buiten de beoordeling laten, nu het college ter zitting heeft aangegeven zich hierop niet te hebben voorbereid, omdat dit tot nu toe niet was betwist. Niet valt in te zien dat appellante deze grond niet eerder naar voren had kunnen brengen.

4.2. Appellante heeft aangevoerd dat het college zich bij zijn besluitvorming niet mocht baseren op het door de DWI verrichte onderzoek, omdat het verrichte onderzoek en het daaruit verkregen bewijs onrechtmatig zijn. Appellante heeft er daarbij op gewezen dat wordt uitgegaan van de onverdedigbare en onjuiste fictie dat het onderzoek jegens haar, ondanks het op enig moment ontstaan van verdenking in strafvorderlijke zin, uitsluitend was gericht op de beoordeling van het recht op uitkering. Zodra sprake is van vermeende geconstateerde schending van artikel 17 van de WWB, is gelet op onder meer de artikelen 227a, 227b, 447c althans 447d van het Wetboek van Strafrecht zonder meer sprake van verdenking in strafrechtelijke zin. Ten onrechte wordt haar de op grond van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) toekomende bescherming onthouden.

Het betoog van appellante komt er in wezen op neer dat, nu het onderzoek in elk geval mede was gericht op de opsporing van strafbare feiten, het college de bevindingen van het strafrechtelijke onderzoek alleen bij de beoordeling van het recht op bijstand mag gebruiken wanneer het strafrechtelijke onderzoek is verricht in overeenstemming met de normen van Sv en van artikel 6 van het EVRM. Dit betoog slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 17 januari 2012, LJN BV1783 en BV1077) is het gebruik van beweerdelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen slechts dan niet toegestaan indien deze zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar wordt geacht. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich een dergelijke situatie voordoet. Ook het beroep op de Richtlijn Strafvordering sociale zekerheidsfraude van het College van Procureurs-Generaal, waarin de uitgangspunten zijn neergelegd die het openbaar ministerie hanteert voor strafrechtelijke vervolging van onder meer bijstandsfraude, faalt. Voor zover bij het strafrechtelijk onderzoek deze uitgangspunten niet zijn nageleefd is ook in die situatie het gebruik van het uit het strafrechtelijk onderzoek verkregen bewijs alleen dan niet toegestaan onder de hiervoor aangeduide omstandigheden, waarvan hier geen sprake is. De bestuursrechter is bevoegd de grondslag van het besluit tot intrekking en terugvordering te toetsen. Dat aan de strafrechter de bevoegdheid toekomt om te toetsen of in het strafrechtelijk onderzoek de verdachte de hem toekomende bescherming is geboden, doet daaraan niet af. De passage in de Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel van de Derde Tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Kamerstukken II 1995/96, 23700, nr. 188b), waarnaar appellante verwijst, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien deze passage ziet op toezichthouders. Bovendien wordt ook in die passage een onderscheid gemaakt tussen de beoordeling door de strafrechter en de beoordeling door de bestuursrechter.

4.3. Appellante heeft voorts aangevoerd dat de sociale recherche uitsluitend bevoegd is gebruik te maken van zijn bevoegdheden, zodra er sprake is van opsporing. Voor het aanvankelijk bestuursrechtelijk ingezette onderzoek, waarbij onder meer verklaringen zijn afgenomen ten aanzien van de vermeende schending van de inlichtingenplicht, geldt volgens haar dat de ambtenaren van de sociale dienst Amstelveen niet bevoegd waren tot het verrichten van onderzoekshandelingen in het kader van het toezicht op de naleving. Het onderzoek is immers voorbehouden aan toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 van de Awb, voor wie is geregeld welke bevoegdheden hen toekomen en onder welke voorwaarden de bevoegdheden gebruikt mogen worden. Artikel 53a van de WWB geeft het college geen algemene onderzoeksbevoegdheid. Deze beroepsgrond treft geen doel. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 31 mei 2011, LJN BQ7576) is het college op grond van artikel 53a van de WWB bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Ook heeft de Raad eerder overwogen (CRvb 12 juli 2011, LJN BR2211) dat artikel 5:11 van de Awb niet ziet op de ambtenaren die in het kader van de algemene onderzoeksbevoegdheid van artikel 53a, tweede lid, van de WWB onderzoek doen naar het bestaan of voortbestaan van het recht op bijstand. Daarom is ook niet van belang dat pas per 1 januari 2008 artikel 76a van de WWB de mogelijkheid biedt ambtenaren aan te wijzen als toezichthouder. Er zijn bij dit onderzoek geen bijzondere bevoegdheden toegepast zoals bedoeld in titel 5.2 van de Awb, zodat een aanwijzing als bedoeld in artikel 76a van de WWB of artikel 5:11 van de Awb niet nodig was voor het uitvoeren van het onderzoek.

4.4. Appellante heeft gesteld dat, zelfs als gezegd kan worden dat artikel 53a, tweede lid, van de WWB een algemene bevoegdheid geeft, dit artikellid niet als grondslag kan dienen voor het hier verrichte onderzoek, omdat artikel 53a van de WWB niet voldoet aan de “rule of law”. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante toegelicht dat hiermee wordt gedoeld op schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat artikel 53a van de WWB niet de wettelijke grondslag kan vormen waarop de inbreuk op het door het eerste lid beschermde recht kan worden gebaseerd. Volgens appellante voldoet artikel 53a van de WWB niet aan de eisen die daaraan worden gesteld, te weten dat wetgeving eenduidig, duidelijk en kenbaar moet zijn en dat daarin de bevoegdheden moeten zijn geregeld. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat artikel 53a van de WWB is aan te merken als een toereikende wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 11 april 2007, LJN BA2410, rechtsoverweging 6.1) is het samenstel van de bepalingen van artikel 17 WWB en artikel 53a van de WWB, voor het huisbezoek bezien in samenhang met artikel 1 van de Algemene wet op het binnentreden en de onder de vigeur van de artikelen 65, derde lid, en artikel 66, tweede lid, van de Algemene bijstandswet ontwikkelde jurisprudentie, aan te merken als een toereikende wettelijke grondslag. Eerst ter zitting heeft appellante erop gewezen dat uit het wetsvoorstel houdende een regeling in de sociale zekerheid van de rechtsgevolgen van het niet aantonen van de leefsituatie na het aanbod van een huisbezoek blijkt dat ook de wetgever van oordeel is dat artikel 53a van de WWB geen toereikende wettelijke grondslag kan bieden. Aangezien niet nader is onderbouwd waarop dit is gebaseerd, verwerpt de Raad deze stelling.

4.5. Appellante heeft voorts een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 23 september 1992, LJN ZC5108, en in het bijzonder op de daarin opgenomen overweging dat “indien de opsporingsinstantie van haar bevoegdheden gebruik zou hebben gemaakt om voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens te verkrijgen, zonder dat het onderzoek was gericht op opsporing van een strafbaar feit, de aldus verkregen gegevens niet zouden mogen worden gebezigd.” Dit beroep faalt, reeds omdat de situatie die daar aan de orde was niet vergelijkbaar is met het hier verrichte onderzoek. In dit geval is het onderzoek door de sociaal rechercheurs gericht geweest op de opsporing van een strafbaar feit en is de vraag aan de orde of het college de daaruit verkregen gegevens bij de beoordeling van het recht op bijstand in het kader van intrekking en terugvordering mag gebruiken.

4.6. Voor zover appellante heeft betoogd dat het strafrechtelijk onderzoek moet gelden als verboden vrucht van het op 28 november 2007 afgelegde huisbezoek dat volgens haar onrechtmatig was en dat dit eraan in de weg staat de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek in de beoordeling te betrekken, slaagt dit betoog niet. Van belang is in dit verband dat appellante het oordeel van de rechtbank dat de anonieme tip, die relevant en concreet was, op zichzelf voldoende aanleiding kon vormen voor het instellen van een nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand, niet heeft bestreden.

4.7. Het betoog van appellante dat de Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen het college de mogelijkheid biedt om de gewenste informatie langs andere weg te verkrijgen, slaagt niet reeds omdat gegevens van de Belastingdienst niet behoren tot de bij ministeriële regeling aangewezen administraties. Bovendien beschikt de Belastingdienst niet over gegevens van verzwegen inkomsten.

4.8. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.F. Claessens en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD