Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8666

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
10-3900 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. In dit geval was een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek aanwezig. Niet is voldaan aan de eisen van “informed consent”. Echter niet kan worden gezegd dat het gebruik maken door het college van hetgeen tijdens het huisbezoek is verklaard en waargenomen zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De onderzoeksbevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant tijdens de hier te beoordelen periodes niet woonde op het door hem opgegeven uitkeringsadres. Nu onduidelijk is gebleven waar appellant wel heeft gewoond, kan als gevolg van die schending het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3900 WWB

10/3902 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 juni 2010, 09/1685 (aangevallen uitspraak 1) en 09/951 (aangevallen uitspraak 2).

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

Datum uitspraak: 12 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. van Andel, advocaat, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 10/3899 WWB, plaatsgevonden op 1 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. van den Boogaard, kantoorgenoot van mr. Van Andel. Het college is, zoals aangekondigd, niet verschenen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Zaak 10/3902

1.1. Appellant ontving sinds 29 september 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een fraudemelding op 2 juli 2007 en een anonieme tip van 25 juli 2007 over de woonsituatie van appellant is door een sociaal rechercheur van het team Handhaving, afdeling Werkpoort van de Dienst Sociale Zaken van de gemeente Almere een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is diverse instanties waaronder leveranciers van water en elektriciteit om inlichtingen verzocht, is op 10 november 2008 met appellant gesproken en is aansluitend een huisbezoek afgelegd in de woning van appellant op het adres [adres] te Almere (uitkeringsadres). De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 november 2008. Op 14 en 15 januari 2009 heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden en op 12 maart 2009 is appellant opnieuw gehoord. De onderzoeksresultaten, neergelegd in een rapport van 16 maart 2009, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 8 april 2009 de bijstand van appellant over de periode van 1 februari 2006 tot en met 6 november 2008 te herzien (lees: in te trekken) en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 32.150,86 van appellant terug te vorderen. Het besluit berust op de overweging dat appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan het college te melden dat hij niet verblijft op het door hem opgegeven uitkeringsadres.

1.3. Bij besluit van 28 augustus 2009 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren van appellant tegen het besluit van 8 april 2009 ongegrond verklaard.

Het college is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen, neergelegd in het rapport van de sociale recherche van 16 maart 2009, toereikend zijn voor de conclusie dat appellant in de periode van 1 februari 2006 tot en met 6 november 2008 geen hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Door daarvan geen melding te maken heeft appellant de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden, is er ten onrechte bijstand betaald en is het college bevoegd de over genoemde periode gemaakte kosten van bijstand van appellant volledig terug te vorderen.

1.4. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 28 augustus 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de door appellant eerst ter zitting naar voren gebrachte beroepsgrond dat geen redelijke grond voor het huisbezoek bestond als tardief buiten beschouwing gelaten. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden om aan te nemen dat appellant tijdens de periode van 1 februari 2006 tot en met 6 november 2008 niet zijn feitelijke woonadres had op het uitkeringsadres. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de woning tijdens het huisbezoek geen bewoonbare indruk maakte en het college er terecht op heeft gewezen dat het watergebruik in de woning laag is. De verklaring van appellant voor het lage waterverbruik heeft de rechtbank ontoereikend geacht. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat de bevindingen van het buurtonderzoek en de drie - in het rapport van de sociale recherche weergegeven - anonieme getuigenverklaringen het standpunt van het college ondersteunen dat appellant in de genoemde periode zijn hoofdverblijf niet had in de woning aan het uitkeringsadres. Ten slotte heeft de rechtbank ook de terugvordering in stand gelaten.

Zaak 10/3900

1.5. Bij besluit van 27 november 2008 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 7 november 2008 beëindigd (lees: ingetrokken). Het besluit berust op de overweging dat appellant de op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan het college te melden dat hij niet verblijft op het door hem opgegeven uitkeringsadres.

1.6. Bij besluit van 19 mei 2009 (bestreden besluit 2) heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet op het uitkeringsadres woonachtig was en, door daarvan bij het college geen melding te maken, de wettelijke inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.7. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 27 november 2008 herroepen en bepaald dat de bijstand met ingang van 10 november 2008 wordt ingetrokken.

1.8. De rechtbank heeft het onder de gegeven omstandigheden niet zorgvuldig geacht appellant niet voor de tweede maal in bezwaar te horen. Daarbij heeft de rechtbank met name van belang geacht dat het - na de hoorzitting van 5 februari 2009 opgestelde - rapport van de sociale recherche van 16 maart 2009 een essentieel gedingstuk betreft. Nu de opvolgend raadsman van appellant in het aanvullend bezwaarschrift had verzocht in de gelegenheid te worden gesteld de gronden van bezwaar nader te onderbouwen en toe te lichten tijdens een hoorzitting, had het college dat verzoek moeten inwilligen en een tweede hoorzitting moeten houden. Vervolgens is de rechtbank overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit 2. Op grond van min of meer dezelfde overwegingen als gebezigd in aangevallen uitspraak 1 - en hiervoor in 1.4 samengevat weergegeven - is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant op de datum van het huisbezoek niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Nu dat huisbezoek op 10 november 2008 heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank de bijstand met ingang van die datum ingetrokken.

2. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

3. De Raad komt in zaak 10/3902 tot de volgende beoordeling.

De intrekking

3.1. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij woonachtig was op het uitkeringsadres. Hij heeft aangevoerd dat het huisbezoek van 10 november 2008 is verricht zonder dat daarvoor een redelijke grond aanwezig was. Evenmin is voldaan aan de eis van “informed consent”, zodat de vruchten van dat huisbezoek niet mogen worden gebruikt. Tevens heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Zo heeft de rechtbank ten onrechte waarde gehecht aan de in het rapport van de sociale recherche weergegeven - anonieme en onvoldoende feitelijke - getuigenverklaringen. Ook is de rechtbank niet ingegaan op het standpunt van appellant over het water- en energieverbruik.

3.2. Artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 24 november 2009, LJN BK4064) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de belanghebbende erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het “informed consent” bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan.

3.3. In dit geval was een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek op 10 november 2008 aanwezig. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het waterbedrijf op 16 september 2008 aan het college heeft meegedeeld dat het waterverbruik op het uitkeringsadres, gedurende de periode van 2 februari 2006 tot 1 maart 2008 slechts 20m3 bedroeg. Op grond van dit gegeven, dat onmiskenbaar wijst op een zeer laag verbruik van water op het uitkeringsadres, in samenhang met de afwezigheid van appellant bij een voorgenomen huisbezoek op 7 november 2008 en de op 10 november 2008 voor het huisbezoek afgelegde verklaring van appellant dat hij zich elke dag waste en om de dag douchte, kon redelijkerwijs worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door appellant verstrekte gegevens omtrent zijn woonsituatie. Voorts valt niet in te zien dat de woonsituatie van appellant op dat moment op een andere effectieve, voor hem minder belastende wijze dan door middel van een huisbezoek had kunnen worden gecontroleerd.

3.4. In het licht van de onder 3.2 weergegeven bewijslastverdeling is niet voldaan aan de eisen van “informed consent”. In het “Formulier Toestemming Huisbezoek Dienst Sociale Zaken” is weliswaar vermeld dat appellant toestemming heeft gegeven tot het afleggen van een huisbezoek, maar daaruit blijkt niet dat appellant is meegedeeld dat het niet geven van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Dat blijkt evenmin uit het rapport van de sociale recherche van 10 november 2008.

3.5. Het voorgaande betekent dat ten aanzien van appellant (aangenomen dat hij op het opgegeven adres woonde) sprake was van een inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Echter niet kan worden gezegd dat het gebruik maken door het college van hetgeen tijdens het huisbezoek is verklaard en waargenomen zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat, indien appellant naar behoren zou zijn geïnformeerd en vervolgens zou hebben geweigerd aan het huisbezoek mee te werken, die weigering zou hebben meegebracht dat zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, hetgeen - gegeven de aanwezigheid van een redelijke grond - evenzeer een grond vormt voor intrekking van bijstand. Niet wordt ingezien dat de bevindingen gedaan tijdens het huisbezoek voor de beoordeling van het recht op bijstand buiten beschouwing dienen te blijven.

3.6. De onderzoeksbevindingen, neergelegd in het rapport van 16 maart 2009, bieden voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant tijdens de hier te beoordelen periode van 1 februari 2006 tot en met 6 november 2008 niet woonde op het door hem opgegeven uitkeringsadres. Daarbij wordt met name betekenis gehecht aan het - hoe dan ook - op jaarbasis duidelijk veel lagere water- (en electriciteits)verbruik in de woning dan het standaardverbruik voor een alleenstaande in een dergelijke woning. Voorts kan niet worden voorbijgezien aan het feit dat de koelkast en de vriezer leeg waren op een pak appelsap en twee à drie sapjes na. Ten slotte biedt met name ook de verklaring van [getuige], op 22 maart 2011 tegenover de rechter-commissaris afgelegd, steun voor het standpunt dat appellant in de in geding zijnde periode niet woonde op het door hem opgegeven uitkeringsadres. Uit deze verklaring van [getuige], een naaste buurman van appellant, komt naar voren dat hij appellant weinig heeft gezien. In 2006 heeft hij hem nog wel een keer per week gezien, later werd dat minder, ongeveer een keer per een à twee maanden.

3.7. Appellant heeft bij het college niet gemeld dat hij niet op het uitkeringsadres woonachtig was. Daarmee heeft hij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Nu onduidelijk is gebleven waar appellant wel heeft gewoond, kan als gevolg van die schending het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het college was daarom bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB tot intrekking van de bijstand over te gaan over de periode in geding. Appellant heeft de wijze waarop het college van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

De terugvordering

3.8. Uit hetgeen onder 3.7 is overwogen vloeit voort dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de kosten van de aan appellant over de periode van 1 februari 2006 tot en met 6 november 2008 van hem terug te vorderen. Appellant heeft de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

4. Uit hetgeen in 3.1 tot en met 3.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat aangevallen uitspraak 1 met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad komt in de zaak 10/3900 tot de volgende beoordeling.

5.1. In hoger beroep heeft appellant tegen aangevallen uitspraak 2 aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte met ingang van 10 november 2008 de bijstand heeft ingetrokken. Deze beroepsgrond slaagt niet. De Raad verwijst naar zijn hiervoor in 3.1 tot en met 3.8 gegeven overwegingen. Ook voor de hier aan de orde zijnde periode is voldoende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant niet heeft voldaan aan zijn wettelijke inlichtingenverplichting, zodat het college bevoegd was de bijstand in te trekken. Appellant heeft de wijze waarop het college van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt niet bestreden.

5.2. Uit hetgeen in 5.1 en 5.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten, niet slaagt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

(in zaak 10/3902 WWB)

- bevestigt aangevallen uitspraak 1

(in zaak 10/3900 WWB)

- bevestigt aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.P.M. Zeijen en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.C. Oomkens.

HD