Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8664

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
10-4605 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toekenning van een persoonsgebonden re-integratiebudget voor het volgen van een opleiding journalistiek. Appellante beschikt over meer dan minimale startkwalificaties. Voor personen, zoals appellante, die een opleiding op het niveau van wetenschappelijk onderwijs hebben afgerond geldt als uitgangspunt dat het al bereikte opleidingsniveau voldoende basis vormt voor (her)inschakeling op de arbeidsmarkt. Appellante heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de door haar gewenste cursussen daadwerkelijke zullen bijdragen aan haar arbeidsinschakeling. Het college heeft deze cursussen dan ook in redelijkheid niet aangemerkt als een voor arbeidsinschakeling noodzakelijke voorziening. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat schending van het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is, nu van toezeggingen en te rechtvaardigen gewekte verwachtingen niet is gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4605 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 juli 2010, 10/268 WWB (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 12 juni 2012

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend in reactie op het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 15 mei 2012, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 8 juni 1983 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Zij heeft de universitaire studies andragologie en filosofie afgerond in 1983 en 1987. Vanaf november 2008 heeft de consulent werk van de dienst Sociale Zaken en Werk (dienst) appellante opgeroepen voor gesprekken met als doel haar naar betaald werk te begeleiden. In dat kader hebben gesprekken plaatsgevonden tussen de dienst en appellante, onder meer op 8 april 2009, over de mogelijkheid van een persoonsgebonden re-integratiebudget (PRB) voor een opleiding in de journalistiek. De dienst heeft vervolgens een rapport onderzoek aanvraag PRB opgesteld dat is gedateerd op 5 oktober 2009.

1.2. Bij besluit van 3 december 2009 heeft het college het verzoek van appellante om toekenning van een PRB voor het volgen van een opleiding journalistiek afgewezen. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat de opleiding niet noodzakelijk is voor de inschakeling op de arbeidsmarkt.

1.3. Bij besluit van 18 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 14, eerste lid, van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Groningen kan het college een subsidie verstrekken in de vorm van een op arbeidsinschakeling gericht persoonsgebonden budget. Op grond van het tweede lid van dat artikel wordt onder een PRB verstaan een subsidie ter voldoening van de noodzakelijk te maken kosten van werkzaamheden die zijn gericht op arbeidsinschakeling.

4.2. Uit het rapport van 5 oktober 2009 komt naar voren dat de door appellante voorgestelde postacademische dagbladopleiding te Rotterdam of de cursus journalistieke vaardigheden van de Hogeschool Utrecht voor haar geen meerwaarde hebben, te meer omdat appellante, als zij zich breder opstelt, op korte termijn op de arbeidsmarkt kan slagen. Daarbij wijst de rapporteur tevens op de redelijk onvoorspelbare arbeidsmarkt voor journalisten, die ook in de advertentie voor de cursus te Utrecht wordt genoemd.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante over meer dan minimale startkwalificaties beschikt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 12 oktober 2010, LJN BO1036) geldt voor personen, zoals appellante, die een opleiding op het niveau van wetenschappelijk onderwijs hebben afgerond als uitgangspunt dat het al bereikte opleidingsniveau voldoende basis vormt voor (her)inschakeling op de arbeidsmarkt. Daarnaast kan van degenen die aanspraak maken op bijstand gelet op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB worden gevergd dat zij, met inachtneming van hun krachten en bekwaamheden niet alleen passende maar ook algemeen geaccepteerde arbeid proberen te verkrijgen. Appellante heeft naar voren gebracht dat de door haar gewenste cursussen in de journalistiek haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt zullen verruimen. Zij heeft echter op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat deze cursussen daadwerkelijke zullen bijdragen aan haar arbeidsinschakeling. Het college heeft deze cursussen dan ook in redelijkheid niet aangemerkt als een voor arbeidsinschakeling noodzakelijke voorziening.

4.4. Appellante heeft aangevoerd dat het college haar eerst een PRB heeft aangeboden en dat haar vervolgens onder intrekking daarvan twee trajecten zijn aangeboden. De uit de gedingstukken blijkende gang van zaken is een andere. Hieruit komt naar voren dat in een gesprek tussen appellante en haar consulent op 8 april 2009 is afgesproken dat zij de al door haar gestarte toelatingsprocedure voor een opleiding journalistiek te Groningen zou voortzetten. Zij werd echter niet toegelaten tot die opleiding, waarna zij de onder 4.2 genoemde cursussen heeft voorgesteld. Hierover gaat het bestreden besluit. Het college heeft ten aanzien van de opleiding te Groningen geen besluit genomen. Het enkel afwachten van het resultaat van de al gestarte toelatingsprocedure is onvoldoende voor een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat schending van het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is, nu van toezeggingen en te rechtvaardigen gewekte verwachtingen niet is gebleken. Dat de aan appellante aangeboden trajecten naar zij meent niet aansluiten bij haar kwaliteiten en vaardigheden, valt buiten de omvang van dit geding over het PRB en behoeft daarom geen verdere bespreking.

4.5. Het betoog van appellante dat het college geen gebruik heeft mogen maken van haar curriculum vitae slaagt niet. Evenals de rechtbank heeft overwogen valt niet in te zien dat het arbeids- en opleidingsverleden van appellante niet bij de beoordeling van haar verzoek om PRB zou mogen worden meegewogen.

4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en C.H. Bangma en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J. van Dam.

HD