Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8651

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
11-888 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoogte invordering. Het aflossingsbedrag is zodanig bepaald dat appellante voldoende overhoudt om haar maandelijkse uitgaven te betalen en zij het totaal verschuldigde bedrag in 48 maanden zal aflossen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/888 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (Indonesië) (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 7 juni 2012

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 november 2010, kenmerk BZ01195482, (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2012, waar appellante niet is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1. In dit geding zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1. Appellante, geboren in 1919 in het voormalige Nederlands-Indië, is uitkeringsgerechtigde als nagelaten betrekking op grond van de Wuv. Nadat uit een inlichtingenformulier is gebleken dat appellante pensioen geniet, hetgeen is bevestigd na huisbezoek, is bij besluit van 16 september 2009 de uitkering verminderd tot Rp. 1.554.313,- (€ 125,46) per maand. De uitkering is herzien over de periode 2004 tot en met 2007. Over 2008 is de uitkering definitief berekend en per januari 2009 is de uitkering opnieuw vastgesteld. Bij besluit van 11 maart 2010 is een bedrag van in totaal Rp 41.195.709,- (€ 3.325,14) van appellante teruggevorderd, zijnde het te veel betaalde bedrag aan uitkering over de periode van 2004 tot maart 2010. Maandelijks zal Rp. 1.000.000,- op de uitkering worden ingehouden, zodat een uitkering resteert van Rp. 469.895,- (€ 37,93) per maand.

1.2. Nadat de zoon van appellante er in bezwaar op heeft gewezen dat zijn moeder door deze inhouding onvoldoende middelen van bestaan overhoudt en hij ook geen vast werk heeft, is de inhouding bij het bestreden besluit nader bepaald op Rp. 700.000,- (€ 56.50).

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. Het geschil is beperkt tot de hoogte van de invordering. De hoogte hiervan is bepaald met inachtneming van de hiervoor geldende richtlijnen en na een financieel onderzoek door een medewerker van de Nederlandse Ambassade in Jakarta. Het aflossingsbedrag is zodanig bepaald dat appellante voldoende overhoudt om haar maandelijkse uitgaven te betalen en zij het totaal verschuldigde bedrag in 48 maanden zal aflossen. De Raad ziet in hetgeen in beroep naar voren is gebracht geen aanleiding om dit besluit in rechte aan te tasten.

2.2. Wel is op grond van de beschikbare gedingstukken duidelijk dat appellante geestelijk in slechte conditie is en dat zij geen enkel besef had van haar financiële situatie en dat ook de zoon bij wie appellante inwoont hiervan niet goed op de hoogte was. Ook is duidelijk dat appellante inwoont bij haar zoon en 9 kleinkinderen onder zeer armlastige omstandigheden. Wellicht vormt een en ander aanleiding voor verweerder om appellante het restant van haar schuld kwijt te schelden als daarom namens haar wordt verzocht.

3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van

E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2012.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) E. Heemsbergen.

HD