Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
11/3971 BESLU + 11/3972 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om toekenning schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn niet-ontvankelijk. Uit de gedingstukken blijkt dat verzoeker en de Staat het er over eens zijn dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM met bijna een jaar is overschreden en dat de Staat voor deze overschrijding een schadevergoeding van € 1.000,- verschuldigd is. De gemachtigde van verzoeker heeft meegedeeld dat deze vergoeding is ontvangen. Tussen verzoeker en de Staat bestaat geen geschil meer over de door verzoeker verzochte schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3971 BESLU en 11/3972 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie, Staat)

Datum uitspraak: 8 juni 2012

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank

’s-Hertogenbosch van 19 april 2007, 06/4192, in het geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bij uitspraak van 8 juli 2011, LJN BR1660, heeft de Raad beslist op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder het in de aanhef van zijn uitspraak van heden genoemde nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoeker om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verzoeker, mr. I.H.M. Hest, advocaat, bij brief van 10 mei (naar de Raad aanneemt: november ) 2011, bij de Raad binnengekomen op 7 november 2011, met als bijlage een kopie van een brief van 4 november 2011 gericht aan de Raad voor de rechtspraak, daarop schriftelijk gereageerd. Namens de Staat is hier weer op gereageerd bij brief van 29 november 2011.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

OVERWEGINGEN

1. Uit de onder Procesverloop beschreven briefwisseling blijkt dat verzoeker en de Staat het er over eens zijn dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM met bijna een jaar is overschreden en dat de Staat voor deze overschrijding een schadevergoeding van € 1000,- verschuldigd is. De gemachtigde van verzoeker heeft bij brief van 25 januari 2012 meegedeeld dat deze vergoeding op 19 december 2011 is ontvangen.

2. Het geschil tussen verzoeker en de Staat heeft uitsluitend betrekking op de proceskosten. De Staat heeft bij brief van 29 november 2011 meegedeeld zich te refereren aan het oordeel van de Raad.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. De Raad stelt vast dat tussen verzoeker en de Staat geen geschil meer bestaat over de door verzoeker verzochte schadevergoeding in verband met de overschrijding door de Staat van de redelijke termijn. Nu volgens vaste rechtspraak van de Raad geen procesbelang kan worden ontleend aan de door verzoeker verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten, dient het verzoek om schadevergoeding wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.2. Voor wat betreft de proceskosten, ziet de Raad aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoeker in deze schadeprocedure. De in de rubriek Procesverloop vermelde reactie namens verzoeker met daarbij een kopie van een brief van 4 november 2011 gericht aan de Raad voor de rechtspraak, komt op grond van de Bijlage A van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor vergoeding in aanmerking (als één proceshandeling voor een ½ punt).

3.3. De Raad ziet aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoeker in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 161,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het verzoek om toekenning van schadevergoeding niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 161,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter, in tegenwoordigheid van

M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2012.

(get.) C.W.J. Schoor

(get.) M.D.F. de Moor

TM