Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8492

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
11-2364 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging Wet WIA-uitkering. Met juistheid is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat hetgeen appellant heeft aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat het Uwv zich bij het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts. De door appellant ingediende verklaringen bevatten geen feiten of omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat de bezwaarverzekeringsarts geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht, dan wel geen volledig of juist beeld had van de gezondheidssituatie van appellant op de datum in geding en de hieruit voor hem voortvloeiende beperkingen. Uit de nadere door appellant ingediende stukken volgt niet dat appellant meer beperkt is dan door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage en in de FML is weergegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2364 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 februari 2011, 10/3217 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 15 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het Uwv heeft op dit stuk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 16 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissend op bezwaar en voor zover hier van belang, de uitkering van appellant op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van

10 oktober 2010 beëindigd, omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft het bestreden besluit doen steunen op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts gedateerd 6 juli 2010, de voor appellant opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), eveneens gedateerd 6 juli 2010 en op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige gedateerd 29 juli 2010.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat het Uwv het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren op de rapportages en de FML, genoemd in 1.

3.1. In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank bedoeld in 2, voor zover dat betrekking heeft op de beëindiging van de uitkering met ingang van 10 oktober 2010, bestreden. Naar zijn mening dient de Raad, nu de rechtbank ten onrechte aan zijn gronden van beroep is voorbijgegaan, de aangevallen uitspraak te vernietigen en zijn beroep alsnog gegrond te verklaren.

3.2. Appellant heeft, evenals in beroep, aangevoerd dat de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts geen juist beeld geeft van zijn gezondheidssituatie en de bij hem bestaande mogelijkheden tot het verrichten van arbeid.

3.3. Appellant heeft kort voor de behandeling ter zitting nog ingezonden een zogenoemd huisartsenjournaal. In dit journaal is onder meer opgenomen de bevindingen van de neuroloog Hoogervorst, gedateerd 27 januari 2011, de bevindingen van de neurochirurg Elsenburg, gedateerd 31 maart 2011 en de bevindingen van de reumatoloog Groen van 19 oktober 2011.

3.4. In verweer heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat hetgeen appellant in zijn hoger beroepschrift heeft aangevoerd geen nieuwe gezichtspunten oplevert. Het Uwv heeft onder verwijzing naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts, gedateerd 26 april 2012, aangevoerd dat met deze informatie, voor zover die ziet op de datum in geding, rekening is gehouden.

3.5. Het Uwv heeft voorts gesteld dat de neuroloog en de bezwaarverzekeringsarts geen gewrichtszwellingen aan de handen hebben vastgesteld.

4.1.1. De Raad overweegt als volgt.

4.1.2. Aan rapportages opgesteld door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige komt, indien deze rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Raad een bijzondere waarde toe in die zin, dat het Uwv zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapportages mag baseren.

Zulks betekent echter volgens vaste rechtspraak van de Raad geenszins dat deze rapportages en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep niet aantastbaar zijn. Het is echter gelet op artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht wel aan appellant om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapportages niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapportages gegeven beoordeling onjuist is.

Het aannemelijk maken dat de rapportages niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, dan wel niet concludent zijn kan geschieden door niet medisch geschoolden.

Voor het aannemelijk maken dat de gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een regulier medicus noodzakelijk. De Raad wijst op zijn uitspraken van 17 december 2004, LJN AR8889, 13 juli 2005, LJN AT9828 en

10 januari 2007, LJN AZ6138.

4.2. Het hoger beroepschrift bevat gronden van medische aard die ook reeds bij de rechtbank naar voren zijn gebracht. De rechtbank heeft deze gronden op juiste wijze besproken. Met juistheid is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat hetgeen appellant heeft aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat het Uwv zich bij het bestreden besluit niet heeft kunnen baseren op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts als is vermeld in 1. De Raad heeft hieraan niets toe te voegen.

4.3.1. De gronden die appellant voor het eerst in hoger beroep heeft aangevoerd, noch de eerst in hoger beroep ingediende verklaringen, leiden de Raad tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. De door appellant ingediende verklaringen bevatten geen nieuwe feiten of omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat de bezwaarverzekeringsarts geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht, dan wel in zijn rapportage van 6 juli 2010 geen volledig of juist beeld had van de gezondheidssituatie van appellant op de datum in geding en de hieruit voor hem voortvloeiende beperkingen.

4.3.2. In de FML zijn beperkingen opgenomen in verband met de nekproblemen van appellant. Uit de nadere door appellant ingediende stukken volgt niet dat appellant meer beperkt is dan door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage en in de FML is weergegeven.

4.3.3. Het door appellant ter zitting ingenomen standpunt dat op onvoldoende wijze rekening is gehouden met beperkingen voortvloeiende uit gewrichtszwellingen aan zijn handen gaat eraan voorbij dat deze gewrichtszwellingen rondom de datum in geding niet door de bezwaarverzekeringsarts en de neuroloog zijn waargenomen.

De bevindingen van de reumatoloog ter zake van de zwellingen hebben geen betrekking op de datum in geding. In deze bevindingen van 19 oktober 2011 is vermeld dat sprake is van een zwelling van de handen sinds enkele weken.

4.3.4. Voor het benoemen van een deskundige voor het instellen van een onderzoek ziet de Raad gelet op hetgeen is overwogen in 4.1.2 tot en met 4.3.3 geen aanleiding. De hiervoor benodigde twijfel aan de juistheid of volledigheid van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts ontbreekt.

5.1. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1.2 tot en met 4.3.4 treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2012.

(get.) J. Brand.

(get.) K.E. Haan.

CVG