Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
10-1292 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere omstandigheden voor afwijken van het uitgangspunt dat geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de aanvraag en/of melding.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 43
Wet werk en bijstand 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/195
JWWB 2012/121
USZ 2012/205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1292 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 februari 2010, 09/1415 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 juni 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.F. Desloover, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2011. Voor appellante is verschenen mr. Desloover. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinç, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante en haar echtgenoot L. [B.] (hierna: [B.]) hebben op 16 september 2008 bij het College op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) bijstand aangevraagd voor de perioden 2 september 2005 tot en met 31 december 2005 en van 1 februari 2006 tot en met 28 februari 2006. Bij besluit van 22 december 2008 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat bijstand over een periode voorafgaande aan de datum van de aanvraag in principe niet mogelijk is en er geen redenen zijn om daarop in het geval van appellante en haar echtgenoot een uitzondering te maken.

1.2. Bij besluit van 1 april 2009 heeft het College het tegen het besluit van 22 december 2008 gemaakte bezwaar onder verwijzing naar het advies van kamer VI van de Algemene Bezwaarschriftencommissie van 2 maart 2009 ongegrond verklaard. Het College stelt zich in navolging van deze commissie op het standpunt dat niet is komen vast te staan dat appellante en [B.] op een eerder moment dan 16 september 2008 bij de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI) of anderszins een aanvraag om bijstand hebben ingediend. Zij hebben weliswaar een faxbericht van 2 september 2005 (hierna: het faxbericht), gericht aan de Sociale Dienst Rotterdam, en een verzendjournaal met de melding ‘OK’ van die datum overgelegd, maar het College acht deze stukken ontoereikend om aan te nemen dat op die datum een concrete aanvraag is verzonden en ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 april 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, in het midden latend of het faxbericht inderdaad door de CWI is ontvangen, niet kan worden geoordeeld dat de inhoud van het faxbericht als een aanvraag om bijstand als bedoeld in de WWB moet worden aangemerkt.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 43, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vaststelt.

4.2. Artikel 44 van de WWB luidde ten tijde hier van belang als volgt:

“1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

2. De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij de Centrale organisatie werk en inkomen, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, eerste of vierde lid, of bij het college, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, tweede of derde lid.

3. Indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, kan het college, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend. ”

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad in zake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of in voorkomende gevallen een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Van zodanige omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, dan wel in het geval dat is gebleken dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van de CWI (thans het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen) of het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.

4.4. Appellante heeft het standpunt van het College bestreden dat het faxbericht niet is ontvangen. Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld - onder meer in de uitspraken van 7 februari 2007, LJN AZ8886, en van 1 september 2006, LJN AY9485 - dienen de aan de verzending per fax verbonden risico’s voor rekening van de verzender te komen. Dit brengt mee dat, als de geadresseerde stelt dat het per fax verzonden stuk niet is ontvangen, het op de weg van de verzender ligt de verzending aannemelijk te maken. Het College betwist niet dat appellante het faxbericht van 2 september 2005 op die datum heeft verzonden. Ter zitting heeft de gemachtigde van het College dit desgevraagd bevestigd. Vast staat verder dat ten tijde in dit geding van belang er geen registratie was van de berichten, ontvangen op het faxnummer waarnaar het faxbericht is verzonden en dat dit het faxnummer is van het hoofdkantoor van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In dat geval rijst de vraag of hetgeen het College heeft aangevoerd meebrengt dat de ontvangst van het faxbericht redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Nu het College ter zake heeft volstaan met een enkele ontkenning, moet het er naar het oordeel van de Raad voor worden gehouden dat het College het faxbericht heeft ontvangen.

4.5. Appellante bestrijdt voorts het standpunt van het College dat zij met het faxbericht geen aanvraag als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de WWB heeft ingediend. De Raad stelt vast dat appellante in het faxbericht vermeldt dat zij erg moeilijk zit qua inkomen, omdat zij en haar echtgenoot per 1 september 2005 zijn gestopt met het bedrijf dat zij sinds 1997 hebben gerund. Verder vermeldt zij daarin dat zij van de afdeling werk en inkomen heeft vernomen dat zij en haar echtgenoot pas voor een uitkering in aanmerking kunnen komen als het bedrijf failliet wordt verklaard en dat haar is geadviseerd om tijdelijk via familie te lenen om te kunnen overbruggen. Daarnaast stelt zij daarin graag te vernemen wanneer het intakegesprek, waarvoor zij een brief zullen ontvangen, kan plaatsvinden. Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat het faxbericht, gelet op de inhoud daarvan, niet kan worden aangemerkt als een aanvraag om bijstand als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de WWB. Uit het faxbericht blijkt immers niet van een verzoek van appellante aan het college om een besluit over de toekenning van bijstand te nemen. Het faxbericht kan evenmin worden aangemerkt als een melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB. Met het faxbericht is immers niet gegeven dat naam, adres en woonplaats van appellante zijn geregistreerd en dat zij in staat is gesteld een aanvraag in te dienen.

4.6. Uit het faxbericht valt wel af te leiden dat appellante zich wilde melden om een uitkering aan te vragen. Door nalatigheid van het College is zij hiervan op dat moment afgehouden. De Raad ziet echter geen aanleiding om aan deze nalatigheid consequenties te verbinden, aangezien appellante na het versturen van het faxbericht te veel tijd heeft laten verstrijken alvorens daadwerkelijke actie te ondernemen. Bij dit oordeel heeft de Raad in het bijzonder betekenis toegekend aan het feit dat appellante, nadat zij bij faxbericht van 23 maart 2006 aan de Sociale Dienst Rotterdam had laten weten dat zij per 20 maart 2006 was verhuisd naar Schiedam en dat zij nog geen schriftelijke reactie van de dienst had ontvangen voor een intakegesprek, vervolgens pas op 13 juni 2007 per faxbericht weer contact heeft gezocht met de Sociale Dienst Rotterdam en deze dienst heeft laten weten dat haar bedrijf per 5 juni 2006 failliet is verklaard, zonder daarbij te refereren aan de (inhoud van de) twee eerdere faxberichten van 2 september 2005 en

23 maart 2006. Vervolgens heeft appellante tot maart 2008 gewacht voordat zij opnieuw contact heeft opgenomen met de Sociale Dienst Rotterdam, welk contact uiteindelijk heeft geleid tot de aanvraag van 16 september 2008.

4.6. De Raad concludeert op grond van het voorgaande dat het College de aanvraag van appellante op goede gronden heeft afgewezen.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD