Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8361

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
11-4722 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft als gevolg van de buitenfunctiestelling in de periode van 15 juli 2008 tot 1 maart 2009 geen werkzaamheden verricht. Appellant heeft de korpsbeheerder verzocht het teveel aan verlofuren over 2008 niet, zoals was aangekondigd, af te boeken. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat hij als gevolg van zijn buitenfunctiestelling in 2008 geen verlofuren heeft kunnen opnemen.

De korpsbeheerder heeft onder toepassing van art. 19, vierde lid, Barp bepaald dat appellant over de maanden september tot en met december 2008 geen aanspraak heeft op vakantie. De korpsbeheerder heeft daarom 55,2 uren in mindering gebracht op de verlofeindstand van appellant over 2008. Tevens is bepaald dat appellant 121,4 verlofuren mag meenemen van 2008 naar 2009.

De Raad is van oordeel dat - zo het toepassingsbereik van art. 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88 zich al uitstrekt tot een zaak als de onderhavige, waarbij de mogelijkheid van samenloop van buitenfunctiestelling en vakantieverlof ter discussie staat - niet kan worden staande gehouden dat appellant niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van het hem door de richtlijn verleende recht gebruik te maken. Appellant heeft in hoger beroep niet bestreden dat hem tijdens zijn buitenfunctiestelling geen beperkingen zijn opgelegd om van het hem door Richtlijn 2003/88 verleende recht gebruik te maken. Ter zitting van de Raad is namens appellant ook bevestigd dat er voor hem hangende de buitenfunctiestelling - behoudens een meldingsplicht - geen belemmeringen bestonden om vakantie op te nemen. Toegelicht is dat appellant in deze periode feitelijk ook gebruik heeft gemaakt van recht op vakantie, zij het maar “even [en] niet vier weken.” De Raad stelt vast dat uit het besluit tot buitenfunctiestelling evenmin blijkt van enigerlei beperking om van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon gebruik te maken. Onder al deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het bestreden besluit in strijd is met art. 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest Schultz-Hoff e.a.

Aangevallen uitspraak bevestigd.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/167
ABkort 2012/265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4722 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 30 juni 2011, 09/844 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Korpsbeheerder van de politieregio Groningen (korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 7 juni 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 maart 2012 heeft de korpsbeheerder een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Overdam. De korpsbeheerder is, zoals was aangekondigd, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam bij de politieregio Groningen, laatstelijk als buurtagent in de rang van brigadier. Naar aanleiding van een gerezen vermoeden dat appellant zich schuldig zou hebben gemaakt aan plichtsverzuim is een disciplinair onderzoek ingesteld en is appellant bij besluit van 15 juli 2008 buiten functie gesteld.

1.2. Appellant heeft als gevolg van de buitenfunctiestelling in de periode van 15 juli 2008 tot 1 maart 2009 geen werkzaamheden verricht. Bij brief van 23 maart 2009 heeft appellant de korpsbeheerder verzocht het teveel aan verlofuren over 2008 niet, zoals was aangekondigd, af te boeken. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat hij als gevolg van zijn buitenfunctiestelling in 2008 geen verlofuren heeft kunnen opnemen.

1.3. Bij besluit van 30 maart 2009 heeft de korpsbeheerder de verlofeindstand van appellant voor 2008 vastgesteld. De korpsbeheerder heeft onder toepassing van artikel 19, vierde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) bepaald dat appellant over de maanden september tot en met december 2008 geen aanspraak heeft op vakantie. De korpsbeheerder heeft daarom 55,2 uren in mindering gebracht op de verlofeindstand van appellant over 2008. Tevens is bepaald dat appellant 121,4 verlofuren mag meenemen van 2008 naar 2009. Bij besluit van 22 juli 2009 (bestreden besluit) heeft de korpsbeheerder het besluit van 30 maart 2009 na bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd geacht, omdat met dit besluit de bezwaren van appellant in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende ruim naar hun strekking zijn opgevat. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Hof) van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C-350/06 en C-520/06, NJ 2009, 252, niet kan worden gezegd dat het aan appellant op grond van artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88/EG (Richtlijn 2003/88) toekomende recht hem is ontzegd. De essentie van deze bepaling, aldus de rechtbank, is dat een werknemer vakantie moet kunnen opnemen met behoud van loon. Daarvan is in dit geval sprake. In dit verband is van belang dat de korpsbeheerder ter zitting te kennen heeft gegeven dat aan appellant tijdens de buitenfunctiestelling geen beperkingen en verplichtingen zijn opgelegd, zodat hij tijdens de periode van de buitenfunctiestelling op vakantie heeft kunnen gaan zonder dat er verlofuren van zijn vakantiekaart zijn afgeschreven.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat blijkens artikel 7 van Richtlijn 2003/88 elke werknemer recht heeft op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken, hetgeen in zijn geval neerkomt op minimaal 144 uren per jaar. Als gevolg van de in 2008 doorgevoerde vermindering van zijn vakantieverlof met 55,2 uren restten er voor appellant slechts 117,6 verlofuren. Volgens appellant is dit in strijd met artikel 7 van Richtlijn 2003/88.

3.2. De korpsbeheerder heeft zich, samengevat, gesteld achter de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst vast dat appellant het hoger beroep heeft beperkt tot de beslissing van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

4.2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep daarover hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.3. In het arrest Schultz-Hoff e.a. heeft het Hof onder meer overwogen dat artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88 in beginsel niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die voorwaarden stelt voor de uitoefening van het uitdrukkelijk door deze richtlijn verleende recht op jaarlijkse vakantie, zelfs met inbegrip van het verlies van dit recht aan het einde van een referentieperiode of een overdrachtsperiode. Het Hof heeft evenwel aan deze principiële vaststelling de voorwaarde verbonden dat de werknemer wiens recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon verloren gaat, daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van het hem door deze richtlijn verleende recht gebruik te maken (zie arrest Schultz-Hoff e.a., punt 43, zoals herhaald in het arrest van het Hof van 22 november 2011, KHS AG tegen Winfried Schulte, C-214/10, NJ 2012, 54, punt 26). Voorts vervalt het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet aan het einde van de referentieperiode en/of van een naar nationaal recht vastgestelde overdrachtsperiode, wanneer de werknemer met ziekteverlof is geweest tijdens de gehele referentieperiode of een deel ervan en niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van dit hem door Richtlijn 2003/88 verleende recht gebruik te maken (zie arrest Schultz-Hoff e.a., punt 55).

4.4. De Raad is van oordeel dat - zo het toepassingsbereik van artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88 zich al uitstrekt tot een zaak als de onderhavige, waarbij de mogelijkheid van samenloop van buitenfunctiestelling en vakantieverlof ter discussie staat - niet kan worden staande gehouden dat appellant niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van het hem door de richtlijn verleende recht gebruik te maken. Appellant heeft in hoger beroep niet bestreden dat hem tijdens zijn buitenfunctiestelling geen beperkingen zijn opgelegd om van het hem door Richtlijn 2003/88 verleende recht gebruik te maken. Ter zitting van de Raad is namens appellant ook bevestigd dat er voor hem hangende de buitenfunctiestelling - behoudens een meldingsplicht - geen belemmeringen bestonden om vakantie op te nemen. Toegelicht is dat appellant in deze periode feitelijk ook gebruik heeft gemaakt van recht op vakantie, zij het maar “even [en] niet vier weken.” De Raad stelt vast dat uit het besluit tot buitenfunctiestelling evenmin blijkt van enigerlei beperking om van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon gebruik te maken. Onder al deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2003/88, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest Schultz-Hoff e.a.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2012.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) T.J. van der Torn.

HD