Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8353

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
10-5223 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aansprakelijkheidsstelling. Terecht is de rechtbank er vanuit gegaan dat het aan appellant is om feiten te stellen waaruit de door hem gestelde schade blijkt. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat appellant dit niet heeft gedaan. De reacties van appellant boden geen houvast voor verder onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5223 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

11 augustus 2010, 08/5808 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 14 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten. De Raad heeft daarna het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Op 17 januari 2001 kwam appellant, soldaat bij de Koninklijke landmacht en geplaatst in het [bataljon], tijdens een bivak ten val, waarbij hij zijn linkerknie verwondde. Hij bracht enige dagen in het kazerneziekenverblijf door en werd per 22 januari 2001 geplaatst in het remedial peloton (peloton) van zijn onderdeel. Vanaf 12 maart 2001 was appellant afwezig. Hij werd met ingang van 10 september 2001 ontslagen.

1.2. Bij brief van 21 juli 2004 heeft appellant de staatssecretaris aansprakelijk gesteld voor de verergering van de linkerknieklachten, die hij toeschreef aan zijn verblijf in het peloton. De staatssecretaris heeft vervolgens een aantal malen aan appellant gevraagd om de aansprakelijkheidsstelling op bepaalde punten feitelijk te onderbouwen, waarop appellant schriftelijk heeft gereageerd. Hierna heeft de staatssecretaris zijn medisch adviseur om advies verzocht, aan welk verzoek deze met het inzenden van een nota van 26 juli 2006 heeft voldaan. Met inachtneming van dat advies heeft de staatssecretaris bij besluit van 25 augustus 2006 de aansprakelijkheidsstelling afgewezen.

1.3. Bij besluit van 3 juni 2008 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 25 augustus 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - voor zover zij in hoger beroep aan de orde is - het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep overweegt de Raad het volgende.

3.1. Voor het beantwoorden van de centraal staande vraag of de staatssecretaris aansprakelijk is te houden voor de door appellant gestelde verergering van de klachten van zijn linkerknie tijdens zijn verblijf in het peloton is de rechtbank in rechtsoverweging 4.1 van de aangevallen uitspraak uitgegaan van de juiste maatstaf, neergelegd in de hier geldende vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 22 juni 2000, TAR 2000, 112, en LJN AB0072).

3.2. De rechtbank heeft eerst onderzocht of er bij appellant vanwege (de verergering van) zijn knieklachten schade aanwezig is. In rechtsoverweging 4.4 van de aangevallen uitspraak is deze vraag ontkennend beantwoord.

3.3. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank. Terecht is de rechtbank er vanuit gegaan dat het aan appellant is om feiten te stellen waaruit de door hem gestelde schade blijkt. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat appellant dit niet heeft gedaan. De Raad ziet verder niet in dat de reacties van appellant die zijn vermeld in 1.2, houvast voor verder onderzoek boden.

3.4. Het advies van de medisch adviseur biedt die houvast niet. Dit advies is gebaseerd op de bij de dienst over appellant beschikbare medische gegevens, waarvan de inhoud is weergegeven en die het advies afdoende onderbouwen. Het advies houdt in dat de knieklachten van appellant adequaat zijn behandeld en er geen aanwijzingen zijn dat de leidinggevenden van het peloton te weinig rekening hebben gehouden met de appellant opgelegde medische mutaties.

4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet - voor zover zij is aangevochten - worden bevestigd.

5. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.G. Treffers en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

ew