Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8313

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
10-2174 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar is door het college terecht niet-ontvankelijk verklaard. Uitkeringsspecificatie is wat de inhouding van de alleenstaande ouderkorting betreft geen besluit is in de zin van art. 1:3, lid 1, Awb. Aan elke betaling van salaris of uitkering ligt een besluit tot zodanige betaling ten grondslag. (LJN BO7296) Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld als er in de periodieke betaling geen wijziging optreedt. Dan is in het algemeen slechts sprake van een herhaling van de eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet reeds door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van art. 1:3, lid 1, Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2174 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 april 2010, 09/4689 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

Datum uitspraak: 12 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 10 april 2012, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 1 november 1990 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Met ingang van 7 juni 2009 is de bijstand herzien naar de norm voor een alleenstaande. Vanaf 1 januari 2009 is op de bijstand maandelijks een bedrag van € 53,67 ingehouden in verband met de alleenstaande ouderkorting die appellante ontvangt.

1.2. Op 8 juli 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie van 6 juni 2009 over de maand juni 2009. Appellante kan zich niet verenigen met het feit dat de alleenstaande ouderkorting op de bijstand in mindering is gebracht.

1.3. Bij besluit van 16 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de uitkeringsspecificatie van 6 juni 2009 over de maand juni 2009 wat de inhouding van de alleenstaande ouderkorting betreft geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de uitkeringsspecificatie van 6 juni 2009 over de maand juni 2009 wat de inhouding van de alleenstaande ouderkorting betreft wel een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Gelet daarop heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft voorts zelf in de zaak voorzien en het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank het bezwaar ongegrond heeft verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, voor de vraag gesteld of het bezwaar van appellante ontvankelijk is.

4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 14 december 2010, LJN BO7296) ligt aan elke (meestal: maandelijkse) betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld als er in de periodieke betaling geen wijziging optreedt. Dan is in het algemeen slechts sprake van een herhaling van de eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet reeds door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

4.3. Uit de uitkeringsspecificatie van 6 juni 2009 blijkt dat op de bijstand van appellante een bedrag van € 53,67 aan alleenstaande ouderkorting in mindering is gebracht. Uit de uitkeringsspecificatie over de maand mei 2009 blijkt dat ook over die maand een bedrag van € 53,67 aan alleenstaande ouderkorting op de bijstand van appellante in mindering is gebracht. Onder verwijzing naar hetgeen onder 4.2 is overwogen, is de uitkeringsspecificatie van 6 juni 2009 over de maand juni 2009 voor het aspect van de in mindering gebrachte alleenstaande ouderkorting dan ook geen besluit in de zin van de Awb.

4.4. Dit betekent dat het bezwaar niet-ontvankelijk was en dat de rechtbank het bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De Raad zal de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten vernietigen en bepalen dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde bestreden besluit in stand blijven. De beroepsgronden van appellante zullen dan ook niet worden besproken. Dit betekent dat aan een verdere inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden niet meer wordt toegekomen.

5. Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 437,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

-laat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 16 oktober 2009 in stand;

-veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 437,--;

-bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

HD