Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8311

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
10-1518 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%, en verlagingbijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting met € 200,-- . Voldoende feitelijke grondslag dat appellant op [adres 2] woonde en dat het college op goede gronden heeft afgezien van een huisbezoek op [adres 1].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1518 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2010, 09/4146 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 12 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Verkerk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 10/6178 WWB. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders. Na sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Op 28 april 2009 heeft appellant zich gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand aan te vragen. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij woont op het adres [adres 1] te Amsterdam ([adres 1]).

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college een onderzoek naar de woonsituatie van appellant ingesteld. In dat kader heeft appellant op 8 mei 2009 een verklaring afgelegd en heeft op 11 mei 2009 een huisbezoek plaatsgevonden aan het adres [adres 2] te Amsterdam ([adres 2]). De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 mei 2009. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 18 mei 2009 de aanvraag om bijstand af te wijzen op de grond dat appellant, anders dan hij bij het college heeft gemeld, niet op [adres 1] woont.

1.3. Bij besluit van 29 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 mei 2009 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft het besluit van 18 mei 2009 ingetrokken (lees: herroepen) en appellant met ingang van 28 april 2009 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% en de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting met € 200,-- verlaagd. Volgens het college woont appellant niet op [adres 1], maar op [adres 2].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij woont op [adres 1], dat hij aldaar zelfstandig recht op bijstand heeft en dat hij geen gezamenlijke huishouding voert met [V. ] ([V.]) op [adres 2]. Volgens appellant heeft ten onrechte geen huisbezoek op [adres 1] plaatsgevonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode op [adres 2] woonde en dat het college op goede gronden heeft afgezien van een huisbezoek op [adres 1]. De Raad verenigt zich met overwegingen van de aangevallen uitspraak waarop dit oordeel is gebaseerd en verwijst daarnaar. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Opmerking verdient in dit verband nog dat appellant op 28 januari 2010 tegenover twee handhavingsspecialisten van de gemeente Amsterdam heeft verklaard dat de zolderkamer waarin hij naar zijn zeggen gedurende de hier te beoordelen periode verbleef, hoort bij [adres 2].

4.2. De beroepsgrond dat appellant geen gezamenlijke huishouding voert met [V.] behoeft geen bespreking. Aan het bestreden besluit ligt immers het voeren van een gezamenlijke huishouding niet ten grondslag.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

HD