Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8309

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
10/3897 WWB + 10/3898 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Inkomsten uit autohandel zonder daarvan melding te maken. Niet aannemelijk dat slechts sprake is van een hobby.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3897 WWB

10/3898 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 juni 2010, 09/2247 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Deventer (college)

Datum uitspraak: 12 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.L.H. Deuzeman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvangen sinds 22 juni 1994 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Bij besluit van 29 mei 2009 heeft het college de bijstand van appellanten over vijftien maanden gelegen in de periode van januari 2004 tot en met augustus 2008 ingetrokken. De over deze maanden gemaakte kosten van bijstand zijn tot een bedrag van € 19.827,53 van appellanten teruggevorderd. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen, nu uit onderzoek is gebleken dat zij regelmatig inkomsten hebben verkregen uit autohandel zonder daarvan melding te maken.

1.3. Bij besluit van 12 november 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 29 mei 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij hebben zij, samengevat, aangevoerd dat geen sprake was van autohandel, maar van een hobby. Er waren geen inkomsten en de waarde van elk van de auto’s ging het vrij te laten vermogen niet te boven, zodat er geen reden was voor het verstrekken van informatie aan het college. Alle auto’s waren verzekerd en er stonden niet meerdere auto’s tegelijkertijd op naam van appellanten, hetgeen niet de veronderstelling rechtvaardigt dat sprake is van autohandel. Verder hebben appellanten aangevoerd dat de grondslag van het bestreden besluit niet juist is, omdat hieraan niet artikel 58 van de WWB ten grondslag is gelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van de gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW) staat vast dat in de periode van januari 2004 tot en met augustus 2008 zeventien auto’s gedurende betrekkelijk korte tijd, variërend van twee dagen tot ongeveer vier maanden, op naam van appellanten hebben gestaan. Appellanten hebben van het bezit van deze auto’s en van de transacties, die onmiskenbaar van belang zijn voor de verlening van bijstand, aan het college geen mededeling gedaan. Gelet op het aantal transacties en de korte perioden van tenaamstelling is niet aannemelijk, zoals appellanten stellen, dat slechts sprake is van een hobby. Het feit dat appellanten de auto’s hadden verzekerd doet hieraan niet af. Voor zover appellanten betogen dat met het niet langer in aanmerking nemen van de Opel Kadett met kenteken [kenteken] voor consumptief gebruik, er geen auto’s tegelijkertijd op naam van appellanten hebben gestaan, slaagt dit betoog niet, nu daarnaast in 2004 en 2007 sprake is van een overlap van tenaamstelling met betrekking tot diverse andere auto’s. De stelling dat drie auto’s bij wijze van vriendendienst op naam van appellant hebben gestaan, is niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. Voorts kan de stelling niet worden gevolgd dat er geen inkomsten waren en de waarde van elk van de auto’s het vrij te laten vermogen niet te boven ging, nu appellanten geen administratie of boekhouding hebben bijgehouden noch anderszins objectieve en verifieerbare gegevens in het geding hebben gebracht.

4.2. Uit hetgeen onder 4.1 is overwogen vloeit voort dat appellanten in de transactiemaanden de op hen ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand over de desbetreffende maanden, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan betrokkene om feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende maanden recht op (aanvullende) bijstand bestond. Appellanten hebben geen controleerbare en verifieerbare gegevens verschaft over de met de transacties verworven inkomsten. Het college heeft daarom terecht geconcludeerd dat het recht van appellanten op (aanvullende) bijstand over de transactiemaanden niet is vast te stellen.

4.3. Het college was daarom op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over de transactiemaanden in te trekken. De wijze van uitoefening van deze bevoegdheid is niet bestreden. Daarmee is gegeven dat het college tevens bevoegd was om op grond van artikel 58, eerste lid en onder a, van de WWB tot terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over die maanden over te gaan.

Anders dan appellanten stellen is artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB overigens wel degelijk aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. In het bestreden besluit is immers vermeld dat het college het eens is met het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie van 3 november 2009 en dat hij dit advies daarom overneemt. In het advies zelf is genoemde bepaling expliciet als grondslag voor de terugvordering vermeld.

Tegen de wijze van gebruikmaking van deze bevoegdheid zijn geen zelfstandige beroepsgronden gericht.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.P.M. Zeijen en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van A. C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.C. Oomkens.

HD