Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8264

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
11-2302 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WW-uitkering. Terugvordering. Boete. Schending inlichtingenverplichting. Nu appellant heeft erkend dat hij vanaf 1 november 2005 gemiddeld 10 uur per dag als zelfstandig makelaar werkzaam is geweest en dat hij deze werkzaamheden niet heeft verantwoord op zijn werkbriefjes, was het Uwv bevoegd tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering. Het Uwv heeft bij de nieuwe beslissing op bezwaar de ZZP-handleiding op consistente wijze toegepast. Van het geven van onjuiste informatie aan het Uwv valt appellant niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt te maken. Het Uwv was daarom verplicht appellant een boete op te leggen. Het bedrag van de boete is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2302 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 februari 2011, 10/33 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.F. Lorijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Lorijn. Namens het Uwv is verschenen mr. F.H.M.A. Swarts.

OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv van 3 december 2009 ter uitvoering van de Werkloosheidswet (WW). Bij dat besluit heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard dat was gemaakt tegen zijn besluit van 27 augustus 2009, waarbij de WW-uitkering van appellant is ingetrokken met ingang van 1 november 2005 en een bedrag van € 4.278,50 aan volgens het Uwv over de periode van 1 november 2005 tot en met 29 oktober 2006 onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant is teruggevorderd. Het Uwv heeft bij het besluit van 3 december 2009 eveneens het bezwaar tegen zijn besluit van 11 september 2009, waarbij appellant een boete is opgelegd van € 430,-, ongegrond verklaard.

2. Uit een onderzoek van de Nationale ombudsman naar de handhaving door het Uwv in het project ‘Samenloop zelfstandigenaftrek en WW-uitkering’ is gebleken dat in een aantal gevallen de informatievoorziening aan zelfstandigen gebrekkig of onjuist is geweest. Op instigatie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is in maart 2010 het zogeheten project herbeoordeling ZZP-dossiers gestart. In dat kader is op 16 juli 2010 een handleiding opgesteld met een bijlage met toetsingscriteria die worden gehanteerd bij de herbeoordeling van eerder ten aanzien van ZZP-ers genomen besluiten tot herziening, terugvordering en invordering van WW-uitkering en tot het opleggen van een boete (bijlage bij Kamerstukken II, 32 500-XV, nr. 5, hierna: Handleiding). In het geval van appellant heeft deze herbeoordeling door de zogenoemde toetsingscommissie ZZP geleid tot een besluit van het Uwv van 30 september 2010 waarbij het eerder ingenomen standpunt is gehandhaafd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 december 2009 ongegrond verklaard. Het geschil beperkt zich, aldus de rechtbank, tot de vraag of appellant op basis van de gesprekken met buitendienstmedewerker B. Haveman en re-integratiecoach F.C. Vos en de uitgereikte folder had kunnen en moeten begrijpen dat ook indirecte uren gevolgen konden hebben voor zijn WW-uitkering en hij dergelijke uren had moeten opgeven. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant dit - objectief gezien - niet had kunnen begrijpen. Uit de verslagen die ten tijde van appellants startperiode als zelfstandige zijn gemaakt kan niet worden afgeleid dat appellant is toegezegd dat hij een bepaalde periode mocht volstaan met het enkel vermelden van directe/betaalde uren op de werkbriefjes. Bij twijfel lag het op de weg van appellant om navraag te doen naar het opgeven van gewerkte uren op de werkbriefjes. De rechtbank is met het Uwv van oordeel dat appellant ten onrechte heeft volstaan met vermelding van de directe uren en daarmee de informatieplicht heeft geschonden. Ook valt appellant subjectief een verwijt te maken van de schending van de inlichtingenplicht, zodat de boete terecht is opgelegd.

4. Appellant heeft in hoger beroep dit oordeel van de rechtbank bestreden. Appellant ontkent dat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieplicht. De rechtbank is er volgens hem ten onrechte vanuit gegaan dat hij de folder waaruit hij heeft geciteerd ook daadwerkelijk heeft ontvangen. Hij heeft hiermee slechts beoogd aan te tonen dat wisselende informatie werd verstrekt, als gevolg waarvan hij heeft mogen begrijpen dat hij alleen uren waarover hij inkomsten genoot behoefde op te geven. Appellant heeft er voorts op gewezen dat hij pas op 24 april 2006 een folder heeft ontvangen, terwijl hij toen al twee maanden in de oriëntatieperiode bezig was. Uit de verslagen van de gesprekken met de buitendienstmedewerker Haveman en re-integratiecoach Vos blijkt dat deze niet specifiek op appellant betrekking hebben. Hij is van mening dat verslagen in algemene zin hem niet kunnen worden tegengeworpen. Gelet op de gebrekkige informatievoorziening kon het appellant redelijkerwijs niet duidelijk zijn over welke uren hij opgave had moeten doen.

5. Op 16 december 2011 heeft de zogenoemde Bezwaaradviescommissie ZZP desgevraagd advies uitgebracht. Het Uwv heeft op 5 januari 2012 te kennen gegeven het advies van de Bezwaaradviescommissie ZZP op te volgen en de herziening, terugvordering en de boete te handhaven.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1. Voor een weergave van het toepasselijk wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Tevens is artikel 8 van de WW van belang. Deze bepaling luidde ten tijde hier van belang:

(…)

2. Een persoon, wiens werknemerschap is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, herkrijgt bij beëindiging van die werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer, voor zover die beëindiging plaatsvindt binnen een tijdvak van anderhalf jaar nadat die werkzaamheden een aanvang hebben genomen.

(…)

6.2. De onder 2 genoemde Handleiding bevat een aantal algemene regels op grond waarvan het Uwv eerder in het kader van de WW genomen besluiten ten gunste van belanghebbenden corrigeert. Welke groepen van personen voor herbeoordeling met toepassing van die regels in aanmerking komen, is in de bijlage omschreven. Op grond van die regels vindt geen correctie plaats indien de belanghebbende op de zogeheten werkbriefjes of anderszins geen melding heeft gemaakt van de gewerkte uren als zelfstandige, indien de belanghebbende wel heeft aangegeven erover te denken om als zelfstandige te gaan werken, maar daarvan concreet niets blijkt of indien de belanghebbende goede informatie heeft gehad, maar desondanks onjuiste informatie opgeeft aan het Uwv. Correctie vindt wel plaats indien de belanghebbende wel uren als zelfstandige aan het Uwv heeft opgegeven en hij aan de wijze waarop het Uwv informatie heeft gegeven over uren die hij moest opgeven, in redelijkheid het vertrouwen kon ontlenen dat hij kon volstaan met de opgave van de direct productieve uren. In geval van twijfel wordt dan het voordeel van de twijfel aan de belanghebbende gegeven. Dit uitgangspunt is onder 2.2 van de Handleiding verder uitgewerkt.

6.3. In het voorliggende geval heeft het Uwv met het besluit van 30 september 2010 opnieuw beslist over de herziening van de WW-uitkering van appellant en over de terugvordering en boete. Anders dan in het besluit van 3 december 2009 heeft het Uwv daarbij ook getoetst aan de in de Handleiding geformuleerde voorwaarden om van toepassing van de artikelen 22a en 36 van de WW af te zien maar geen aanleiding gezien om appellant verder in zijn bezwaren tegemoet te komen. Het besluit van 30 september 2010 is aan te merken als een nieuw besluit op de tegen de besluiten van 27 augustus 2009 en 11 september 2009 gemaakte bezwaren dat het besluit van 3 december 2009 vervangt (zie CRvB 15 maart 2011, LJN BP7501). De rechtbank had het besluit van 30 september 2010 gelet op de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, nu dit niet tegemoet komt aan appellant, bij haar beoordeling moeten betrekken. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet gedaan. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij het besluit van 3 december 2009 in stand is gelaten, moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 3 december 2009 vernietigen en het besluit van 30 september 2010 bij zijn beoordeling betrekken.

6.4. Bij het ontstaan van zijn werkloosheid bedroeg het aantal door appellant verloren arbeidsuren als bedoeld in artikel 16 van de WW 10,08 per week. Nu appellant heeft erkend dat hij vanaf 1 november 2005 gemiddeld 10 uur per dag als zelfstandig makelaar werkzaam is geweest en dat hij deze werkzaamheden niet heeft verantwoord op zijn werkbriefjes, was het Uwv bevoegd tot intrekking en terugvordering van de WW-uitkering vanaf 1 november 2005.

7.1. In verband met de door appellant gestelde onjuiste informatieverstrekking van de kant van het Uwv is het volgende van belang.

7.2. Het in de Handleiding met bijlage opgenomen beleid laat zien dat het Uwv ook in gevallen waarin dringende redenen in de zin van de wet niet aanwezig zijn, geheel of gedeeltelijk afziet van herziening en terugvordering. Dat beleid moet daarom worden gekwalificeerd als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Daarbij geldt dat de aanwezigheid en de toepassing daarvan door de bestuursrechter als gegeven moet worden aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of dat beleid op consistente wijze is toegepast.

7.3. Appellant heeft tot 1 oktober 2006 op zijn werkbriefjes geen melding gemaakt van zijn werkzaamheden als zelfstandige. Uit het onderzoeksrapport Buitendienst WW van buitendienstmedewerker Haveman blijkt dat appellant in een gesprek op 31 oktober 2005 slechts zijn plannen kenbaar heeft gemaakt om zich als zelfstandig makelaar te gaan vestigen. Uit het overzicht met gesprekspunten, dat door appellant is ondertekend, blijkt verder dat appellant erop is gewezen dat hij zijn activiteiten tijdens de oriëntatieperiode op zijn werkbriefjes diende te vermelden en dat het verrichten van werkzaamheden leidt tot een blijvende aftrek op de WW-uitkering. Appellant heeft in dat gesprek bovendien te kennen gegeven dat de geplande aanvangsdatum van zijn werkzaamheden als zelfstandige nog niet bekend was, terwijl hij tegenover de fraude-inspecteur P. van Ingen heeft verklaard dat hij op 1 november 2005, één dag na het gesprek met Haveman, is begonnen als zelfstandige. Uit het verslag van het gesprek van 24 april 2006 met re-integratiecoach Vos blijkt echter dat appellant op dat moment niet heeft gemeld daadwerkelijk te zijn gestart als zelfstandige. Nu appellant slechts kenbaar heeft gemaakt te denken over het starten als zelfstandige, maar het Uwv niet daadwerkelijk heeft geïnformeerd dat hij al in november 2005 gestart was en hij tot 1 oktober 2006 in het geheel geen gewerkte uren heeft opgegeven, heeft het Uwv het in 2.1 in de Handleiding opgenomen beleid in het geval van appellant op consistente wijze toegepast door de herziening en terugvordering niet te wijzigen. Aan de omstandigheid dat de gesprekken met buitendienstmedewerker Haveman en re-integratiecoach Vos die in het kader van de herbeoordelingsoperatie zijn gevoerd niet specifiek op appellant betrekking hebben, kan dan ook geen betekenis worden gehecht.

7.4. Uit 6.4 volgt dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting. Door de vraag op de werkbriefjes naar het gewerkt hebben als zelfstandige is appellant op een niet mis te vatten wijze kenbaar gemaakt dat hij daarvan op elk werkbriefje opgave moest doen. Bovendien heeft appellant op 24 april 2006 de folder “Kan ik ook voor mijzelf beginnen” ontvangen. Hieruit blijkt dat het werk voor het eigen bedrijf, reistijd en het binnenhalen van opdrachten (acquisitie) inclusief reistijd buiten oriënterende werkzaamheden vallen. De oriëntatieperiode van appellant was weliswaar al eerder aangevangen, maar appellant heeft ook na 24 april 2006 geen aanleiding gezien zijn opgaaf aan het Uwv van gewerkte uren als zelfstandige te corrigeren. Van het geven van onjuiste informatie aan het Uwv valt appellant dan ook niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt te maken. Het Uwv was daarom verplicht appellant een boete op te leggen. Het bedrag van de boete is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellant.

7.5. Uit 7.1 tot en met 7.4 volgt dat het beroep tegen het besluit van 30 september 2010 ongegrond moet worden verklaard.

8. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten voor verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- in beroep en op € 1.092,50 in hoger beroep, totaal € 1.736,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 3 december 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 30 september 2010 ongegrond;

-veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.736,50 te betalen aan de griffier van de Raad;

-bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012.

(get.) H.G. Rottier

(get.) H.L. Schoor

TM