Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
11-5373 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen op een eerder genomen besluit waarbij is geweigerd een nabestaandenuitkering toe te kennen. Ten aanzien van de periode voor het verzoek heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, zodat de Svb kon volstaan met verwijzing naar het eerder genomen besluit. Ten aanzien van de periode vanaf het verzoek heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de echtgenoot van appellante met ingang van 1 januari 2000 niet langer verplicht verzekerd was ingevolge de volksverzekeringen, omdat artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring volksverzekeringen 1999 van 24 december 1998, Stb. 746 (KB 746) per die datum is vervallen. Nu de echtgenoot van appellante zich vervolgens niet vrijwillig heeft verzekerd ingevolge de ANW en hij ook niet verzekerd was ingevolge de Turkse wettelijke regeling heeft de Svb het verzoek van appellante terecht afgewezen. Het feit dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden ter zake van ziektekosten, met toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de republiek Turkije inzake sociale zekerheid, recht had op medische zorg in Turkije ten laste van Nederland laat onverlet dat hij niet langer verzekerd was ingevolge de volksverzekeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5373 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 augustus 2011, 09/3468 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Turkije (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 8 juni 2012

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2012. Appellante is daarbij, met kennisgeving, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is woonachtig in Turkije. De echtgenoot van appellante heeft in Nederland gewoond en gewerkt. Op 15 mei 2001 is de echtgenoot van appellante in Turkije overleden.

1.2. Bij besluit van 7 maart 2002 heeft de Svb geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toe te kennen, omdat haar echtgenoot op de dag van zijn overleden niet verzekerd was ingevolge de ANW en evenmin krachtens de Turkse wettelijke regeling.

1.3. De door appellante tegen dit besluit aanhangig gemaakte procedures hebben geleid tot de uitspraak van de Raad van 25 maart 2005, waarbij de weigering van de nabestaandenuitkering in stand is gebleven. Het door appellante tegen die uitspraak ingestelde beroep in cassatie is bij arrest van de Hoge Raad van 14 april 2006 ongegrond verklaard.

1.4. Bij brief van 15 december 2008 heeft appellante de Svb verzocht om een nabestaandenuitkering aan haar toe te kennen, omdat zij geen inkomen ontvangt.

1.5. Bij besluit van 8 juni 2009 (bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 20 januari 2009, waarbij is geweigerd om terug te komen van het besluit van 7 maart 2002, na bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar echtgenoot 21 jaar in Nederland heeft gewerkt en dat hij op de dag van zijn overlijden in 2001 verzekerd was voor ziektekosten in Nederland.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de gestelde aanspraak van appellante op een nabestaandenuitkering aangemerkt moet worden als een duuraanspraak. Dit betekent dat ingevolge vaste rechtspraak bij de toetsing van het bestreden besluit een onderscheid gemaakt moet worden tussen het verleden en de toekomst (CRvB 1 februari 2001, LJN AB0250). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna moet een minder terughoudende toetsing worden gehanteerd. Daarbij zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

4.2. De rechtbank heeft met inachtneming van deze rechtspraak bij zijn beoordeling van het bestreden besluit een onderscheid gemaakt tussen de perioden gelegen voor en vanaf het verzoek om terug te komen van het besluit van 7 maart 2002. Ten aanzien van de periode voor het verzoek heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden, zodat de Svb kon volstaan met verwijzing naar het besluit van 7 maart 2002. Ten aanzien van de periode vanaf het verzoek heeft de rechtbank geoordeeld dat de echtgenoot van appellante met ingang van 1 januari 2000 niet langer verplicht verzekerd was ingevolge de volksverzekeringen, omdat artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring volksverzekeringen 1999 van 24 december 1998, Stb. 746 (KB 746) per die datum is vervallen. Nu de echtgenoot van appellante zich vervolgens niet vrijwillig heeft verzekerd ingevolge de ANW en hij ook niet verzekerd was ingevolge de Turkse wettelijke regeling heeft de rechtbank geconcludeerd dat de Svb het verzoek van appellante terecht heeft afgewezen.

4.3. Dit oordeel van de rechtbank wordt geheel onderschreven. Hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Het feit dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden ter zake van ziektekosten, met toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de republiek Turkije inzake sociale zekerheid, recht had op medische zorg in Turkije ten laste van Nederland laat onverlet dat hij niet langer verzekerd was ingevolge de volksverzekeringen.

4.4. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2012.

(get.) T.L. de Vries

(get.) G.J. van Gendt

TM