Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
12-678 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts is zorgvuldig en weloverwogen geweest. Uit de door appellant overgelegde medische informatie kan niet worden afgeleid dat appellant op de datum hier in geding meer beperkingen ten aanzien van het verrichten van zijn arbeid ondervond dan reeds opgenomen in de FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/678 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 december 2011, 11/6568 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv nadere stukken overgelegd en gereageerd op de door appellant overgelegde stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Witte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.

1.2. Bij besluit van 9 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv in bezwaar het standpunt, dat appellant met ingang van 1 juli 2011 geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid, gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn om het medisch onderzoek onzorgvuldig of de uitkomst daarvan voor onjuist te houden. De rechtbank heeft met name van belang geacht dat de bezwaarverzekeringsarts op inzichtelijke wijze - waarbij aandacht is besteed aan appellants rugklachten en de gevolgen voor hem van de ziekte van Crohn - uiteen gezet heeft waarom de klachten van appellant wel dienen te leiden tot het aannemen van beperkingen, maar niet dusdanig zijn dat hij daardoor niet in staat moet worden geacht gedurende een normale werkdag te werken. Daarnaast heeft de rechtbank waarde gehecht aan het door de bezwaarverzekeringsarts meewegen van appellants medicijngebruik, het bloedonderzoek en de bijstelling van de medicatie. De objectiveerbare medische bevindingen leiden naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat appellant ondanks zijn klachten, aan de realiteit waarvan niet wordt getwijfeld, in staat moet zijn om de functie van magazijnmedewerker te kunnen verrichten.

3.1. Appellant benadrukt in hoger beroep dat het Uwv met name de klachten als gevolg van de ziekte van Crohn en het zware medicijngebruik (prednison) onvoldoende heeft meegewogen bij het vaststellen van zijn beperkingen. Ter onderbouwing van zijn standpunt, dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat en dat hij op de datum hier in geding niet in staat was zijn arbeid te verrichten, verwijst hij evenals in beroep naar rechtspraak van de Raad, LJN BH3197 en LJN BH2363 en naar de nadere medische informatie van zijn behandelend arts van 11 april 2012. Tot slot heeft appellant informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij, na hervatting in augustus 2011 in een functie van magazijnmedewerker, met ingang van 2 januari 2012 is uitgevallen.

3.2. In verweer heeft het Uwv - samengevat - aangevoerd dat de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 juni 2011 zowel beperkingen ten aanzien van het gebruik van de rug als beperkingen vanwege de ziekte van Crohn heeft opgenomen. Uitgaande van deze beperkingen wordt appellant in staat geacht om minstens één van de in 2008 in het kader van een eerdere beoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen voor hem geschikt geachte functies te verrichten. Het feit dat appellant kort na de datum in geding toegenomen klachten heeft geclaimd, met als gevolg een toename van het medicijngebruik, maakt niet dat ook de beperkingen zijn toegenomen. Uit de informatie met betrekking tot de ziekmelding per 2 januari 2012 leidt het Uwv af dat appellant in werk is hervat waarin zijn belastbaarheid, zoals beschreven in de FML van 24 juni 2011, wordt overschreden, hetgeen geleid heeft tot uitval.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts R. Blanker is zorgvuldig en weloverwogen geweest. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant lichamelijk onderzocht en de verkregen informatie van MDL-arts H. van Soest van 21 juli 2011 en 15 juli 2011 meegewogen in zijn oordeel.

4.3. De in hoger beroep overgelegde informatie van Van Soest van 11 april 2012 biedt onvoldoende reden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts. Van Soest vermeldt onder het kopje ‘anamnese’ dat appellant in 2011 nog een exacerbatie van de ziekte van Crohn had, waarvoor hij behandeld is met prednison. Hierop zijn de klachten vervolgens verminderd. Dat het gaat om de exacerbatie in juli 2011 kan uit de brieven van deze arts van 15 juli 2011 en 21 juli 2011 worden afgeleid. Uit de door appellant overgelegde medische informatie kan niet worden afgeleid dat appellant op de datum hier in geding, 1 juli 2011, meer beperkingen ten aanzien van het verrichten van zijn arbeid ondervond dan reeds opgenomen in de FML van 24 juni 2011. Dat appellant vanaf begin 2012 opnieuw klachten als gevolg van exacerbatie van de ziekte van Crohn heeft en door Van Soest de conclusie is getrokken dat bij appellant sprake is van een prednison-onafhankelijke chronische colitis doet daar uitgaande van de datum hier in geding niet aan af.

4.4. De in hoger beroep overgelegde gegevens met betrekking tot de ziekmelding van appellant per 2 januari 2012 vallen buiten de omvang van het onderhavige geschil, zodat de hierop betrekking hebbende gronden buiten beschouwing worden gelaten.

4.5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 1 juli 2011 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) H.L. Schoor.

IJ