Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8231

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
12-486 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het Uwv heeft voor het begrip “zijn arbeid” een juiste maatstaf aangenomen. Het medisch onderzoek door het Uwv is voldoende zorgvuldig geweest. De bezwaarverzekeringsarts heeft inzichtelijk en overtuigend toegelicht waarom appellant, ondanks zijn lichamelijke klachten, in staat moet worden geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van appellant heeft onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/486 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 januari 2012, 11/7913 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Witte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 1 juni 2008 werkzaam bij [stichting], in de functie van krantenbezorger. Per 1 juni 2010 is het dienstverband geëindigd en is aan appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit die situatie heeft appellant zich per 25 augustus 2010 ziekgemeld wegens toegenomen rug- en linker schouderklachten.

1.2. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant een aantal keren het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht, voor het laatst op 18 augustus 2011. De verzekeringsarts I. Daoud-Oskamp komt na dossierstudie en eigen onderzoek tot de conclusie dat appellant met ingang van 22 augustus 2011 (datum in geding) geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Bij besluit van 18 augustus 2011 heeft het Uwv appellant geschikt geacht voor zijn arbeid als krantenbezorger en hem per datum in geding (verdere) uitkering van ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) ontzegd.

1.3. Bij besluit van 5 oktober 2011(bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 augustus 2011, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts R. Blanker van 4 oktober 2011, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht is uitgegaan van de (enigszins aangepaste) functie van krantenbezorger als maatstaf arbeid. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest. In hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij zijn oude werk als bezorger van kranten en folders door zijn rug, schouder- en longklachten niet meer kan verrichten en dat hij daarom in het kader van de ZW ongeschikt is voor het verrichten van zijn arbeid.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 4 oktober 2011, mede op basis van door appellant verstrekte informatie, een beschrijving gegeven van de werkzaamheden die appellant laatstelijk voor zijn ziekmelding als krantenbezorger heeft verricht. Gelet op de inhoud van dit rapport en hetgeen appellant ter zitting van zowel de rechtbank als de Raad omtrent deze arbeid heeft verklaard, heeft het Uwv voor het begrip “zijn arbeid” een juiste maatstaf aangenomen.

4.3. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het medisch onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Appellant is zowel door de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts lichamelijk onderzocht. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts de door appellant verstrekte informatie, over de bevindingen van de behandelend sector op basis van röntgenfoto’s en MRI onderzoek, bij zijn beoordeling betrokken. Op basis van de bevindingen uit zijn onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn eerder genoemde rapport inzichtelijk en overtuigend toegelicht waarom appellant, ondanks zijn lichamelijke klachten, in staat moet worden geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

4.4. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van appellant heeft onderschat. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de onder 4.3 beschreven conclusie van de bezwaarverzekeringsarts.

5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellant per de datum in geding heeft beëindigd. Het hoger beroep van appellant slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012.

(get.) C.P.J. Goorden

(get.) H.L. Schoor

TM