Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8226

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
12-154 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Er is geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. De beperkingen van appellante leiden niet tot ongeschiktheid voor het verrichten van haar arbeid. Uit het in hoger beroep overgelegde rapport van de psychiater blijkt niet dat appellante op de datum in geding meer beperkt was ten aanzien van het verrichten van haar arbeid, dan reeds door de artsen van het Uwv aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/154 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 november 2011, 11/978 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.J.L.M. van den Reek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.E. González Pérez, kantoorgenoot van mr. Van den Reek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk voor 18 uur per week werkzaam als voedingsassistente. Wegens voetklachten gevolgd door psychische klachten is zij op 18 oktober 2009 uitgevallen. Per 1 juli 2010 is aan het dienstverband een einde gekomen, waarna aan appellante aansluitend een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) is toegekend.

1.2. Na medisch onderzoek op 1 november 2010 heeft de bedrijfsarts appellante met ingang van 8 november 2010 geschikt geacht voor haar arbeid. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 22 november 2010 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 8 november 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de ZW.

1.3. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in zijn rapportage van 10 februari 2011- bij besluit van 16 februari 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geen aanleiding gezien het onderzoek door de bedrijfsarts en de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig te achten en voor twijfel aan het standpunt dat appellante geschikt is haar werk per 8 november 2010 te verrichten. Op basis van bevindingen uit eigen onderzoek en de verkregen informatie van de appellante destijds behandelend psychiater S.J. Duinkerke, waaronder het rapport van het in november 2009 bij appellante afgenomen neuropsychologisch onderzoek, heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 10 februari 2011 geconcludeerd dat ten tijde van de datum in geding de concentratie- en planningsproblemen niet een zodanige ernst bezaten dat appellante daardoor buiten staat zou zijn om gedurende 18 uur per week haar eigen werk te verrichten. De angstklachten waren volgens de bezwaarverzekeringsarts niet zodanig dat deze zouden moeten leiden tot arbeidsongeschiktheid voor het werk. Betreffende de door appellante aangevoerde grond dat geen informatie is opgevraagd bij een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en een psychiater, waarbij appellante in en na januari 2011 onder behandeling was, oordeelt de rechtbank dat dit te ver voert. In dat kader verwijst de rechtbank naar het nadere rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 18 april 2011 en oordeelt dat het bestreden besluit berust op voldoende recente medische gegevens, waaronder de rapporten van de artsen van het Uwv, die geenszins als onzorgvuldig kunnen worden aangemerkt.

3.1. In hoger beroep stelt appellante dat de rechtbank ten onrechte aanneemt dat het medisch onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts is gebaseerd op verouderde medische gegevens omdat haar medische situatie ten tijde in geding compleet anders was dan ten tijde van het neuropsychologisch onderzoek. Het rapport van de bezwaarverzekeringsarts omvat volgens appellante een tegenstrijdigheid nu in het kader van het medisch onderzoek wordt verwezen naar de stukken van de behandelend sector, terwijl de behandeling is gestaakt en daardoor de stoornissen weer onverkort aan het licht zijn getreden. Appellante kan zich voorts niet vinden in de conclusie dat geen sprake is van concentratie- en aandachtstoornissen. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij wel degelijk aan deze stoornissen lijdt heeft zij een rapport van psychiater K. Kampen van 18 januari 2011 overgelegd. Appellante is dan ook van mening dat zij door de chaos in haar hoofd, als gevolg van de aandoening ADD en de concentratiestoornis, per de datum in geding niet in staat was haar eigen arbeid te verrichten.

3.2. In verweer heeft het Uwv het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd en ter nadere onderbouwing hiervan een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 10 februari 2012 overgelegd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid, in dit geval de werkzaamheden als voedingsassistente gedurende 18 uur per week.

4.3. Niet in geschil is de omschrijving van de aard en de omvang van de werkzaamheden in het werk van voedingsassistente, zoals beschreven in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 10 februari 2011.

4.4. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij zijn beoordeling informatie van de behandelende sector - waaronder het neuropsychologisch rapport van november 2009 en informatie van psychiater Duinkerke van 6 juli 2009 en 6 september 2010 meegewogen. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante op 6 januari 2011 op het spreekuur gezien en was deze arts bij de hoorzitting aanwezig. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding dit onderzoek onzorgvuldig te achten. Het standpunt van appellante dat uitgegaan is van verouderde medische gegevens wordt, mede onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 8 november 2011, evenmin gevolgd. Uit het neuropsychologisch rapport blijkt dat de bevindingen en conclusies vermeld in het rapport een geldigheidsduur van twee jaar hebben, welke periode ten tijde van het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts nog niet was verstreken. Voorts dateert de brief van 6 september 2010, waarin als diagnose ‘stemmingsprobleem en mogelijk ADD’ van twee maanden voor de datum in geding, zodat deze informatie evenmin als verouderd kan worden beschouwd. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts niet ontkend dat appellante beperkingen heeft vanwege haar stemmingswisselingen en mogelijke ADD, echter deze beperkingen leiden niet tot ongeschiktheid voor het verrichten van haar arbeid. De werkzaamheden zijn na twaalf jaar relatief eenvoudig en er is een min of meer vaste planning van activiteiten. Er is geen aanleiding om deze conclusie onjuist te achten.

4.5. Aan het in hoger beroep overgelegde rapport van psychiater Kampen kan de Raad niet die waarde toekennen die appellante daaraan toegekend wil zien. Uit dit rapport blijkt niet dat appellante op de datum in geding leed aan dusdanige concentratie- en aandachtstoornissen dat zij hierdoor meer beperkt was ten aanzien van het verrichten van haar arbeid, dan reeds door de artsen van het Uwv aangenomen. Daarnaast is de conclusie van deze psychiater, namelijk dat bij appellante sprake is van vitaal depressieve kenmerken met slaapproblemen en dagschommelingen, niet toegespitst op de datum hier in geding. Indien uit het rapport afgeleid zou kunnen worden dat appellantes psychische gesteldheid na de datum in geding veranderd is, kan de Raad daar in het kader van het onderhavige hoger beroep geen consequenties aan verbinden.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012.

(get.) C.P.J. Goorden

(get.) H.L Schoor

TM