Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
11-7166 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wet WIA-uitkering. Er zijn geen redenen gevonden om te oordelen dat het medisch onderzoek onjuist of onzorgvuldig is verlopen of dat de belastbaarheid van appellant niet juist is vastgesteld in de FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7166 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 november 2011, 11/4400 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2012. Namens appellant is mr. De Witte verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het (bestreden) besluit van 12 mei 2011 ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv zijn besluit van 19 januari 2011 gehandhaafd waarin aan appellant is meegedeeld dat hij per 5 januari 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

1.2. De rechtbank heeft de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsarts en de (bezwaar)arbeidsdeskundige gevolgd. Aan de hand van de aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn voldoende functies voor appellant geschikt geacht, waarvan de belasting past binnen de belastbaarheid van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML aangescherpt voor wat betreft het contact met klanten en patiënten, maar voor het werken met collega’s is appellant terecht niet beperkt geacht. Volgens de bezwaarverzekeringsarts kan een zinvolle dagbesteding een doorbreking van zijn isolement en fixatie op de eigen problematiek betekenen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het instellen van een deskundigen onderzoek.

2. Appellant kan zich niet vinden in de aangevallen uitspraak. Hij lijdt aan een ernstige geagiteerde depressie en is niet inzetbaar op de arbeidsmarkt vanwege een gevaar voor impulsdoorbraken. Het Uwv heeft ten onrechte een uitkering geweigerd, hij is volledig arbeidsongeschikt. Hij verwijst naar het in beroep overgelegde sociaal medisch advies ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB) van 26 mei 2011 van de GGD, van A. Martinez, adviserend geneeskundige. Volgens dit advies zal appellant eerst een behandeling moeten starten voordat er sprake kan zijn van deelname aan een traject richting werk of participatie. Appellant verzoekt de Raad om een deskundige te benoemen.

3.1. De Raad overweegt ten aanzien van de in hoger beroep herhaalde gronden van appellant dat de rechtbank deze gronden afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verwijst hiernaar.

3.2. Er zijn geen redenen gevonden om te oordelen dat het medisch onderzoek onjuist of onzorgvuldig is verlopen of dat de belastbaarheid van appellant niet juist is vastgesteld in de FML. De rapportage van A. Martinez bevat geen medische informatie waaraan in het licht van de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ingevolge de Wet WIA die betekenis toekomt die appellant hieraan wenst te zien toegekend. Dit medische advies is opgesteld ingevolge de WWB en kent een ander beoordelingskader. Tijdens de zitting is naar voren gekomen dat appellant nog steeds niet is gestart met een behandeling en in hoger beroep is geen nieuwe medische informatie overgelegd. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

3.3. Ten aanzien van de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies verwijst de Raad naar overweging 6 van de aangevallen uitspraak. De geschiktheid van de functies is voldoende toegelicht.

3.4. Uit hetgeen is overwogen in 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2012.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) Z. Karekezi.

KR