Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8210

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
14-06-2012
Zaaknummer
11-4508 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Op basis van de onderzoeksbevindingen en de overgelegde medische informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder door de verzekeringsarts ingenomen standpunt dat appellant geschikt werd geacht voor zijn arbeid. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4508 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2011, 11/660 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.F. Desloover, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.L. Ruiter, kantoorgenoot van mr. Desloover. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker voor 36 uur per week. Vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving heeft hij zich op 20 juli 2010 ziek gemeld in verband met rugklachten. Aan appellant is vervolgens een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Appellant is een aantal keren op het spreekuur van een verzekeringsarts gezien. Naar aanleiding van de bevindingen op het laatst gehouden spreekuur van 5 november 2010 heeft verzekeringsarts R.G.J. van den Voort appellant, rekening houdende met verkregen informatie van de appellant behandelend neuroloog, per 8 november 2010 weer geschikt geacht voor het eigen werk van productiemedewerker. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 5 november 2010 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 8 november 2010 geen recht (meer) heeft op ziekengeld.

1.3. Bij besluit van 5 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 november 2010, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts F.C. Swaan van 3 januari 2011, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het door het Uwv aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het de getrokken conclusie, dat appellant per 8 november 2010 weer geschikt is voor het verrichten van zijn arbeid, kan dragen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts bekend was met de belasting van het laatstelijk door appellant verrichte productiewerk. Voorts oordeelt de rechtbank dat deze arts rekening heeft gehouden met de bij appellant aanwezige rugklachten. Van de overige door appellant gestelde klachten, te weten hoofdpijn, slaapstoornissen en psychische klachten, heeft de rechtbank - samengevat - geoordeeld dat appellant onvoldoende zijn standpunt heeft onderbouwd dat deze klachten aanleiding zijn om per de datum in geding arbeidsongeschiktheid voor ‘zijn arbeid’ aan te nemen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de juistheid van hetgeen de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportages van 3 januari 2011 en 22 maart 2011 ten aanzien van deze klachten heeft gesteld, in twijfel te trekken. Volgens de rechtbank heeft het Uwv de ZW-uitkering per genoemde datum terecht beëindigd.

3. In hoger beroep stelt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen reden is om te oordelen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsarts onzorgvuldig tot stand is gekomen of inhoudelijk onjuist is. De gronden die in bezwaar en beroep zijn aangevoerd, alsmede de medische informatie die ter ondersteuning daarvan is overgelegd, hadden voor de rechtbank aanleiding moeten zijn om een deskundige in te schakelen.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld.

4.2. Met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in het kader van de beoordeling van appellants aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze heeft onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor de maatstaf arbeid. Blijkens zijn rapportage van 3 januari 2011 heeft hij dossierstudie verricht, alsmede de overgelegde medische informatie van de behandelend sector meegewogen en heeft hij appellant op de hoorzitting van 3 januari 2011gezien en aansluitend onderzocht. In zijn rapportage heeft hij vermeld dat appellant vanwege een pseudoradiculair syndroom beperkingen heeft ten aanzien van rugbelasting. Appellant moet afwisselend bewegen in zitten, staan en lopen. Ook is appellant beperkt ten aanzien van vaak buigen en zwaar tillen. Nu appellants werk bestaat uit het inpakken van artikelen in een doos, waarbij afwisseling van houding mogelijk is en hij niet zwaar hoeft te tillen, voldoet het werk aan de belastbaarheid van appellant. De hoofdpijnklachten en slaapstoornissen zijn, naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, gezien de aanleiding, tijdelijk van aard en kunnen door middel van juiste medicatie verbeteren. Er is geen aanleiding dit standpunt onjuist te achten nu appellant geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij vanwege deze klachten beperkingen heeft ten aanzien van het verrichten van zijn arbeid.

4.3. In beroep en hoger beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd op de aangevoerde (hoger) beroepsgronden en de overgelegde nadere (medische) stukken, waaronder informatie van I-psy, een internist en een radioloog. Daarin concludeert hij dat uit de overgelegde gegevens van de radioloog blijkt dat er op de gemaakte MRI geen significante afwijkingen zijn geconstateerd, zodat er geen aanleiding is om van het ten aanzien van de rugklachten ingenomen standpunt, zoals beschreven in het rapport van 3 januari 2011, af te wijken. De informatie van I-psy is voor de bezwaarverzekeringsarts evenmin aanleiding om de eerdere visie te herzien nu de rugklachten als basis voor de gestelde psychische stoornis worden gekenmerkt, terwijl de rugklachten door middel van effectieve pijnbestrijding kunnen worden behandeld. Voorts kent het werk van appellant vrijwel geen psychische belasting, hetgeen door appellant niet is betwist.

4.4. Op basis van de onderzoeksbevindingen en de overgelegde medische informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder door de verzekeringsarts ingenomen standpunt dat appellant per 8 november 2010 geschikt werd geacht voor zijn arbeid. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Nu appellant in hoger beroep geen andersluidende medische informatie heeft overgelegd is er evenmin aanleiding voor het gelasten van een nader medisch onderzoek door een deskundige.

4.5. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) H.L. Schoor.

NW