Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8119

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
10-5566 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wet WIA-uitkering. Er is sprake van een zorgvuldig medisch onderzoek. Appellante is er niet in geslaagd haar eigen opvatting dat de voor haar op de datum in geding geldende beperkingen door het Uwv zijn onderschat, aan de hand van toereikende medische gegevens te onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5566 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 30 augustus 2010, 10/508 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2012. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 24 september 2007 tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden als taxichauffeur betrokken geraakt bij een aanrijding, waaraan zij whiplashklachten heeft overgehouden. In verband daarmee heeft zij zich bij het Uwv arbeidsongeschikt gemeld.

1.2. Bij besluit van 7 december 2009 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat, gegeven de uitkomsten van door de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige ingestelde onderzoeken, voor haar met ingang van 11 januari 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), daar zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.

1.3. Bij besluit van 16 april 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv, in lijn met de uitkomsten van door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige verrichte onderzoeken, het door appellante tegen het besluit van 7 december 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat van de zijde van het Uwv zorgvuldig onderzoek is gedaan. De rechtbank heeft voorts overwogen dat op grond van de beschikbare medische gegevens, met name die vermeld in de door appellante overgelegde rapporten, te weten een rapport van 3 december 2009 van dr. M.J.H.M. Herpers, als verzekeringsarts werkzaam voor Intermediair, en een rapport van 16 december 2009 van het behandelcentrum DBC, onvoldoende redenen aanwezig zijn voor het oordeel dat door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts van het Uwv de medische beperkingen van appellante niet juist zijn vastgesteld.

2.3. Dat appellante (veel) klachten ervaart, betekent volgens de rechtbank in het licht van het arbeidsongeschiktheidscriterium van de Wet WIA niet zonder meer dat de vastgestelde beperkingen niet juist zouden zijn. Bepalend is of zij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek al dan niet in staat is (volledig) te werken.

2.4. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat haar niet is kunnen blijken dat de in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling wat betreft het arbeidskundig aspect niet op goede gronden zou berusten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat op dit punt door appellante ook geen specifieke gronden zijn aangevoerd, anders dan die voortvloeien uit haar stelling dat haar medische belastbaarheid geringer is dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen.

3. Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat zij ten gevolge van het haar overkomen auto-ongeval nog steeds veel klachten en beperkingen ervaart. Met de door de verzekeringsartsen voor haar vastgestelde belastbaarheid is volgens appellante aan die klachten en beperkingen onvoldoende recht gedaan. Daarbij heeft appellante aangegeven dat zij nog steeds is verwikkeld in een letselschadezaak, in welke zaak een expertiserapport zal worden uitgebracht. Appellante verwacht met dat rapport haar standpunt (medisch) te kunnen onderbouwen.

4.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en geoordeeld. Appellante is ook naar het oordeel van de Raad niet erin geslaagd haar eigen opvatting dat de voor haar op de datum in geding geldende beperkingen door het Uwv zijn onderschat, aan de hand van toereikende medische gegevens te onderbouwen. In het bijzonder stelt de Raad zich achter het oordeel van de rechtbank dat de door appellante ingebrachte rapporten, als vermeld onder 2.2, voor de eigen opvatting van appellante geen objectief-medische aanknopingspunten bevatten. Nu voorts moet worden vastgesteld dat het door appellante ter nadere onderbouwing van haar stellingen in het vooruitzicht gestelde expertiserapport uiteindelijk niet is geproduceerd, concludeert de Raad dat het hoger beroep van appellante niet slaagt.

4.2. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) Z. Karekezi.

IvR