Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW8044

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2012
Datum publicatie
12-06-2012
Zaaknummer
10/180 WWB + 10/4737 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Verlaging bijstand op de grond dat appellant zijn inschrijving bij het CWI niet tijdig heeft verlengd. Op het aan appellant uitgereikte bewijs van inschrijving was vermeld dat hij zelf voor verlenging diende zorg te dragen en daartoe een afspraak diende te maken. Daarom faalt het betoog van appellant, dat hem van het niet verlengen van de inschrijving geen verwijt kan worden gemaakt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Maatregelen. Verlaging bijstand op de grond dat appellant niet heeft meegewerkt aan arbeidsbemiddeling. Het college kan niet worden verweten dat het geen rekening heeft gehouden met de reactie van appellant op het voornemen tot het nemen van het besluit omdat die reactie het college immers niet tijdig heeft bereikt door een verkeerde verzending door appellant. Arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB zijn in het algemeen geen vormen van slavernij of dwangarbeid. Appellant heeft niet gesteld dat het bij de individuele, aan hem aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling anders is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/180 WWB

10/4737 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 december 2009, 09/3315 (aangevallen uitspraak 1) en tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juli 2010, 10/2912 en 10/958 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 22 mei 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft in beide zaken hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2012. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft het college aan appellant bijstand toegekend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 23 juni 2008. Met ingang van die laatste datum heeft appellant zich ingeschreven bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI). Op het bewijs van inschrijving is vermeld dat de inschrijving eindigt op 24 september 2008. Daarbij is aangetekend dat indien een betrokkene gebruik wil blijven maken van de diensten van het CWI, die betrokkene dan een nieuw bewijs van inschrijving moet aanvragen. Wat betreft de wijze van verlengen is vermeld dat verlenging op afspraak plaatsvindt.

1.2. Op 5 oktober 2008 heeft appellant het inlichtingenformulier september 2008 ingevuld, ondertekend en aan het college gezonden. Daarop heeft hij vermeld dat zijn inschrijving bij het CWI in september 2008 is verlopen. Als toelichting daarop heeft appellant geschreven: “geen uitnodiging ontvangen (maar bericht toekenning pas 12 augustus)”.

1.3. Op 24 februari 2009 heeft appellant een gesprek gevoerd met zijn bijstandsconsulent. Onderwerp was het feit dat appellant niet meer ingeschreven was bij het CWI. Met ingang van 25 februari 2009 heeft appellant zich weer ingeschreven bij het CWI.

1.4. Bij besluit van 6 maart 2009 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2009 voor de duur van één maand verlaagd met 30 procent op de grond dat appellant zijn inschrijving bij het CWI niet tijdig heeft verlengd en dat er geen zeer dringende redenen zijn om van verlaging af te zien.

1.5. Bij besluit van 6 april 2009 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 maart 2009 ongegrond verklaard.

1.6. Bij besluit van 29 mei 2009, gehandhaafd bij besluit van 17 augustus 2009, heeft het college geweigerd appellant ontheffing te verlenen van zijn arbeidsverplichtingen. Bij besluit van 26 juni 2009, gehandhaafd bij hetzelfde besluit van 17 augustus 2009, heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2009 verlaagd met 100 procent op de grond dat appellant niet heeft meegewerkt aan arbeidsbemiddeling. Hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.7. Tijdens een gesprek op 2 oktober 2009 met zijn bijstandsconsulent heeft appellant geweigerd een hem aangeboden werk-direct plek bij de Haeghegroep te aanvaarden. Hij heeft daartoe een schrijven overhandigd, waarin hij verklaart niet te kunnen meewerken aan verplichte arbeidsbemiddeling met als doel verplichte arbeid. Bij brief van 2 oktober 2009 heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 16 oktober 2009 een reactie te geven op het voornemen om hem in verband met deze weigering een maatregel van 100 procent op te leggen.

1.8. Bij besluit van 16 oktober 2009 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2009 voor de duur van één maand verlaagd met 100 procent op de grond dat hij niet heeft meegewerkt aan arbeidsbemiddeling en dat er geen zeer dringende redenen zijn om af te zien van deze verlaging.

1.9. Bij brief van 26 oktober 2009 heeft appellant aan het college bericht dat hij op 14 oktober 2009 een aangetekende brief met een reactie op het voornemen hem een maatregel op te leggen aangetekend heeft verstuurd, maar per vergissing naar zijn eigen adres.

1.10. In een gesprek op 10 november 2009 heeft appellant op grond van gewetensbezwaren geweigerd een aangeboden baan te aanvaarden of mee te werken aan een traject gericht op arbeidsinschakeling. In dit gesprek heeft de bijstandsconsulent het voornemen geuit opnieuw een maatregel op te leggen. Appellant heeft op dit voornemen gereageerd.

1.11. Bij besluit van 12 november 2009 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2009 voor de duur van één maand verlaagd met 100 procent op de grond dat appellant niet heeft meegewerkt aan arbeidsbemiddeling en dat er geen zeer dringende redenen zijn om van de verlaging af te zien.

1.12. Bij besluit van 28 december 2009 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 16 oktober 2009 en 12 november 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank voor zover hier van belang het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de weergave van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraken.

Aangevallen uitspraak 1

4.1. Appellant is bij besluit van 12 augustus 2008 meegedeeld dat aan de verlening van bijstand de verplichting verbonden is om geregistreerd te staan als werkzoekende. Op het hem uitgereikte bewijs van inschrijving was vermeld dat hij zelf voor verlenging diende zorg te dragen en daartoe een afspraak diende te maken. Daarom faalt het betoog van appellant, dat hem van het niet verlengen van de inschrijving geen verwijt kan worden gemaakt omdat hij door het CWI niet is uitgenodigd om die inschrijving te komen verlengen. Het college was daarom gehouden om de bijstand van appellant met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB en de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2007 van de gemeente ’s-Gravenhage (verordening) te verlagen.

4.2. Appellant heeft gesteld dat de bijstandsconsulent in het gesprek van 24 februari 2009 aan hem het volgende heeft meegedeeld: “als je het vandaag doet, heeft het geen consequenties voor je uitkering hoor, daar zijn we dan nog soepel mee, omdat het dan de eerste keer is in mijn periode”. Volgens appellant mocht hij door die mededeling erop vertrouwen dat hem in verband met het niet verlengen van de inschrijving bij het CWI geen maatregel zou worden opgelegd. Deze beroepsgrond treft geen doel. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 7 maart 2007, LJN BA1791) is voor een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat sprake is van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van de zijde van het bestuursorgaan. Daarvan is hier geen sprake. Het college heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de bijstandsconsulent niet het mandaat heeft om namens het college besluiten als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB te nemen. Opmerking verdient in dit verband dat de bijstandsconsulent daags na het gesprek van 24 februari 2009 telefonisch contact heeft opgenomen met appellant en hem heeft meegedeeld dat een maatregel wordt opgelegd.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 faalt. Die uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

Aangevallen uitspraak 2

4.4. Appellant kan het college niet verwijten dat het bij het besluit van 16 oktober 2008 geen rekening heeft gehouden met zijn reactie op het voornemen daartoe. Die reactie heeft het college immers niet tijdig bereikt door een verkeerde verzending door appellant. Het gevolg van die fout moet voor rekening van appellant blijven.

4.5. Appellant betoogt dat hij recht op bijstand heeft zonder arbeidsverplichtingen als compensatie voor zijn door de overheid geschonden natuurlijk recht op toegang tot natuurlijke hulpbronnen om in zijn levensonderhoud te voorzien. De arbeidsplicht vertoont wat betreft de gevolgen, namelijk de economische afhankelijkheid, overeenkomsten met slavernij. Daarom mag zijn uitkering niet worden verlaagd wegens het niet nakomen van die verplichtingen.

4.6. Dit betoog berust, gelet op het bepaalde in de artikelen 9 en 11 van de WWB, op een onjuiste rechtsopvatting. Arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB zijn in het algemeen geen vormen van slavernij of dwangarbeid. Kortheidshalve verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 8 februari 2010, LJN BL1093. Appellant heeft niet gesteld dat het bij de individuele, aan hem aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling anders is.

4.7. Het college was daarom naar aanleiding van beide weigeringen van appellant om zijn arbeidsverplichtingen na te komen gehouden om de bijstand van appellant met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB en de verordening te verlagen. Appellant heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de omvang van de opgelegde verlagingen.

4.8. Uit hetgeen onder 4.4 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 ook niet slaagt. Die uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) B. Bekkers.

HD