Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
11-06-2012
Zaaknummer
10-4204 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering in verband met meerinkomen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bonusuitkering moet worden gerekend tot het inkomen van appellant over 2006. Dat de uitkering is gebaseerd op in 2005 behaalde resultaten en/of verrichte prestaties maakt dat niet anders. Appellant heeft aan de beschikbare informatie niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat de bonusuitkering buiten beschouwing zou blijven bij de berekening van het bijverdienbedrag. De Minister heeft terecht de maand juli in de vordering betrokken omdat appellant ook in die maand op enig moment in het bezit was van de OV-kaart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4204 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 juni 2010, 09/837 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

Datum uitspraak: 1 juni 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2012. Appellant is verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1. In deze procedure is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep). Sinds 1 januari 2010 is de Minister de rechtsopvolger van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

1.2. Appellant heeft van januari tot en met september 2006 studiefinanciering genoten op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) in de vorm van een zogenoemde nul-lening. Tevens is aan hem een OV-studentenkaart toegekend.

1.3. De Minister heeft appellant bij brief van 10 januari 2009 meegedeeld dat van de Belastingdienst gegevens zijn ontvangen met betrekking tot de inkomsten van appellant over 2006. Vermeld is dat appellant een bedrag van € 17.482,11 aan inkomsten heeft genoten. In de brief is aan appellant meegedeeld dat dit bedrag ligt boven het maximale “bijverdienbedrag” en dat om die reden een vordering zal worden vastgesteld.

1.4. Appellant heeft op deze brief gereageerd.

1.5. Bij besluit van 27 maart 2009 heeft de Minister ten laste van appellant een vordering vastgesteld van € 548,45. Omdat appellant studiefinanciering heeft ontvangen in de vorm van een nul-lening is geen zogeheten meerinkomen vastgesteld. Het gevorderde bedrag betreft een vergoeding voor de OV-studentenkaart die appellant in de maanden januari tot en met juli 2006 in zijn bezit heeft gehad.

1.6. De tegen het besluit van 27 maart 2009 ingediende bezwaren, betrekking hebbend op de vaststelling van de vordering en de berekening van de hoogte van het inkomen van appellant, zijn door de Minister bij besluit van 27 mei 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 27 mei 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier nog van belang, overwogen dat de Minister de bonusuitkering die aan appellant is uitbetaald terecht bij het toetsingsinkomen over 2006 heeft betrokken. Nu de bonusuitkering niet in het informatiemateriaal van de Minister werd genoemd, lag het op de weg van appellant nadere informatie in te winnen over de vraag of de uitkering wel of niet bij de berekening van het inkomen moet worden betrokken. Aan het ontbreken van concrete informatie op de website van de Minister kon appellant niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de uitkering buiten beschouwing zou blijven. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de Minister terecht de maand juli in de vordering heeft betrokken omdat appellant ook in die maand op enig moment in het bezit was van de OV-kaart. Voor toepassing van de hardheidsclausule behoefde de Minister naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding te zien.

3. Appellant heeft in hoger beroep, net als in de procedure die tot de aangevallen uitspraak heeft geleid, aangevoerd dat de Minister de aan hem in 2006 betaalde bonusuitkering ten onrechte bij de berekening van het bijverdienbedrag over 2006 heeft betrokken. Hij heeft er daarbij op gewezen dat uit het indertijd door de Minister verstrekte informatiemateriaal niet kan worden afgeleid dat een bonusuitkering tot het inkomen wordt gerekend waarmee bij de vaststelling van een vordering rekening wordt gehouden. De bonusuitkering heeft bovendien betrekking op 2005, zodat deze volgens appellant reeds om die reden niet tot het inkomen van 2006 mag worden gerekend. Appellant meent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de Minister verstrekte informatie voor hem aanleiding had moeten zijn nadere informatie in te winnen. Verwijzing naar de zogeheten disclaimer op de website acht appellant niet juist, omdat deze er niet toe kan leiden dat niet op de informatie op de website mag worden vertrouwd. Appellant acht het onredelijk en onbillijk dat de vordering ook betrekking heeft op de maand juli omdat hij de OV-kaart op 1 juli ’s-ochtends heeft ingeleverd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat de brief waarin appellant wordt meegedeeld dat hem een bonusuitkering toekomt, dateert van 20 maart 2006, waarbij melding wordt gemaakt van betaling van deze uitkering in de maand april van dat jaar. Het bedrag is ook vermeld op appellants salarisspecificatie van laatstgenoemde maand. Appellant bestrijdt niet dat de uitkering pas in 2006 is betaald. Nu niet is gebleken dat de uitkering eerder vorderbaar en inbaar was, is het feitelijke genietingsmoment van de uitkering van belang. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bonusuitkering daarom moet worden gerekend tot het inkomen van appellant over 2006. Dat de uitkering is gebaseerd op in 2005 behaalde resultaten en/of verrichte prestaties maakt dat niet anders.

4.2. Er bestaat geen aanleiding de bonusuitkering bij de vaststelling van de op artikel 3.17 van de Wsf 2000 gebaseerde vordering in het geval van appellant buiten beschouwing te laten. Met de rechtbank en op dezelfde overwegingen, die hij hierbij overneemt, is de Raad van oordeel dat appellant er niet op mocht vertrouwen dat zijn bonusuitkering niet zou worden gerekend tot zijn inkomen omdat deze uitkering niet was vermeld bij de informatie die de Minister over de berekening van de vordering heeft gepubliceerd. Uit de informatiebrochure “Studiefinanciering bijverdienen 2006”, en de in grote lijnen gelijkluidende informatie op de website van de Minister, komt duidelijk naar voren dat de opsomming van wel meetellende inkomsten niet limitatief is. Bij de inkomsten waarvan uitdrukkelijk is vermeld dat zij niet meetellen bij de berekening is een bonusuitkering bovendien niet genoemd. Appellant heeft reeds daarom aan de beschikbare informatie niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat de bonusuitkering buiten beschouwing zou blijven bij de berekening van het bijverdienbedrag. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond van appellant over de disclaimer evenmin.

4.3. Wat betreft het feit dat de vordering ook betrekking heeft op de maand juli sluit de Raad zich aan bij het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 2.4.3 van de aangevallen uitspraak.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak daarom bevestigen.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) G.J. van Gendt.

KR