Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7863

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
11-06-2012
Zaaknummer
11-2092 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. Uit hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht valt niet af te leiden dat het Uwv, gezien de omstandigheden van dit geval, van de in artikel 4:6 van de Awb opgenomen bevoegdheid om onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking de aanvraag af te wijzen, geen gebruik had mogen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2092 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2011, 10/3930 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 8 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2012. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J. Hut.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 2 februari 1995 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv de eerder aan appellante toegekende uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 27 maart 1995 ingetrokken op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellante per genoemde datum moet worden gesteld op minder dan 15%.

De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 26 juli 1996 ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bij zijn uitspraak van 4 maart 1998, 96/8426 AAW/WAO, bevestigd.

2. Bij brief van 13 maart 2009 heeft appellante het Uwv verzocht het besluit van 2 februari 1995 te herzien. Bij besluit van 4 februari 2010 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen, zich op het standpunt stellende dat appellante bij haar verzoek om terug te komen van het besluit van 2 februari 1995 geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft vermeld die tot de conclusie leiden dat het genomen besluit onjuist zou zijn.

Bij besluit van 15 september 2010 heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 25 augustus 2010, het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2010 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 15 september 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij verwezen naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en naar vaste rechtspraak van de Raad ter zake.

4. In hoger beroep heeft appellante haar in beroep aangevoerde grieven herhaald.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Het besluit van 2 februari 1995, waarbij de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante met ingang van 27 maart 1995 is ingetrokken, is in rechte onaantastbaar geworden met de uitspraak van de Raad van 4 maart 1998.

5.2. In artikel 4:6 van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

5.3. Ter ondersteuning van haar verzoek terug te komen van het besluit van 2 februari 1995 heeft appellante een verklaring van 9 juni 2010 overgelegd van de fysiotherapeute die haar sinds 2005 regelmatig behandelt.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante daarmee geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen ter zake is overwogen in de aangevallen uitspraak en in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 25 augustus 2010.

5.4. De Raad heeft uit hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht niet kunnen afleiden dat het Uwv, gezien de omstandigheden van dit geval, van de in artikel 4:6 van de Awb opgenomen bevoegdheid om onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking de aanvraag af te wijzen, geen gebruik had mogen maken. Niet gezegd kan worden dat het Uwv niet tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven regel of met een algemeen rechtsbeginsel.

5.5. Het hoger beroep treft derhalve geen doel en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2012.

(get.) J. Brand.

(get.) H.L. Schoor.

KR